Home2
Uw reactie 2
Homepage
Wie ?
Overzicht
Uw reactie
Contact
FAQ
Iris Haeck - de dageraadvanger
De Dageraadvanger is een eigentijdse roman, het verhaal zoekt aansluiting bij het veranderende bewustzijn van de mensheid wat zich op diverse terreinen aan het manifesteren is.
iris haeck, de dageraadvanger, roman, spirituele roman, machu picchu, labyrint, labyrinth, nieuwe tijd, literatuur, spiritualiteit, moderne heldenroman, woestijn
debuutromanReviews
Copyright © 2010 - 2011 DE DAGERAADVANGER. All rights reserved. | Terms and Conditions | Disclaimer | Design by STUDIO182
Webwinkel
Wie zijn wij?Deze website is ontworpen doorSTUDIO182 en kan gemakkelijk aan uw wensen worden aangepast. Op deze plek kunt u uw eigen bedrijf omschrijven.Wij leveren deze kant en klare webwinkel, die u alleen nog maar hoeft te vullen met artikelen.Een complete webwinkel voor nog maar 20 euro (ex.BTW) per maand!Om de prijs hoeft u het dus niet te laten.Zie FAQ voor de specificaties.Wij helpen u graag met het opzetten van uw eigen webwinkel.
Webwinkel - Te Koop | Compleet design webwinkel
Webwinkel - Te Koop | Compleet ontwerp webwinkel
Copyright © 2010 - 2011 DE DAGERAADVANGER. All rights reserved. | Terms and Conditions | Disclaimer | Design by STUDIO182
p { margin-bottom: 0.21cm; } D E E L I Het Begin Het was nog vroeg toen de Dageraadvanger de deur achter zich dichttrok en het pad opliep dat naar de oceaan voerde. Vroeg, donker en stil. Het was nieuwe maan en het pad was nauwelijks zichtbaar, verscholen in zowel de nacht als het struikgewas. Maar de Dageraadvanger kende de weg als geen ander en liep zonder aarzelen de duisternis in. Hij hield veel van dit moment, vlak voor zonsopgang, wanneer het eerste licht binnenvalt. Hij keek even omhoog naar de sterren en versnelde zijn pas. De dag zou spoedig aanbreken. Als ik nu maar op tijd ben, dacht hij, terwijl hij de kraag van zijn jack optrok. Het was kil en vochtig op dit uur, halverwege de herfst, maar het deerde hem niet. Haar tocht was begonnen! Alle voorbereidingen waren getroffen, maar hij moest afwachten. Of ze bereid was de Berg op te gaan, de Kluizenaar te ontmoeten, of de Poortwachter. Haar uitgangsgpunt was gunstig, heel gunstig maar de keuze lag bij haar. Hij had de route die zij zou gaan talloze malen op de Kaart bestudeerd, alle mogelijkheden die voor haar openstonden overwogen, maar hij zou toch nooit precies weten waarlangs haar weg voerde, waar zij werd opgehouden of juist sneller voortgedreven. En ze was nu op een cruciaal moment van haar reis aangekomen! Hij ging nog sneller lopen. Hij wilde weten waar ze was…. Odette zat op een bank, leunend tegen haar rugzak en keek naar het plein schuin beneden haar, het Plaza de Armas, het hart van de stad waar ze zojuist was gearriveerd na een reis van achttien uur via Madrid en Lima: Cusco. Ze hield een hand boven haar ogen tegen het felle licht en keek naar het spektakel, de straten en steegjes vol mensen, de kleuren, het geclaxonneer van auto’s die bumper aan bumper reden, vol gas gaven bij het optrekken en even hard weer remden of een zijstraat inschoten. Ze hoorde flarden van muziek, rook geroosterd vlees, afkomstig van een stalletje een paar meter verderop. Op de bank naast haar zaten vier mannen druk te praten en gesticuleren, het leek of ze ruzie hadden maar ze waren gewoon in gesprek. Ze hadden even opgekeken toen ze was gaan zitten, eentje had iets naar haar geroepen, hij grijnsde, de anderen lachten. Overal hetzelfde liedje… Op het vliegveld had een toeristenbus klaargestaan die hen hier had afgezet, een brede straat met uitzicht op het grote plein. Ze had een stadsplattegrond uit een van de rekken in de aankomsthal meegenomen, als een eerste oriëntatie voor de plek waar haar pen was neergekomen op een draaiende globe. Laten we doen dat dit bankje de plek is waar mijn pen neerkwam. Van hieruit begint het! Maar wat begint er eigenlijk en wat is er gebeurd in mijn leven waardoor ik in het vliegtuig stapte naar een ander continent? Ze was op het randje van overwerkt geweest. En er was Daniël. Ze sloot even haar ogen en zag het kleine cafeetje voor zich, waar ze zo vaak in de vroege ochtend koffie ging drinken voor ze naar haar werk ging.
Blog van Irisgedichtje... D e W o l k e n v o g e l De Wolkenvogel viel met duizelingwekkende vaart naar benedenterwijl hij bewegingloos in de lucht hing De zon deed dat ook van grote hoogte op weg naar de horizon De Wolkenvogel trachtte haar van de ondergang te redden en sperde zijn snavel open om haar mee te nemen in zijn verstarde vlucht rakelings over zee… Maar de Tijd haalde hen in verdreef de dag en daarmee de zon Sinds het begin van tijd onafgebroken samen in een onverbiddelijke lotsverbondenheid De Tijd vaagde ook de Wolkenvogel weg Hij slaat niemand over En zo zullen we nooit weten of het hem gelukt zou zijn om de zon te redden van haar ondergang De Familie EuropaStel de Europesche Gemeenschap is een familie, een oude, voor mijn part adellijke familie, met het voorouderlijk kasteel in de bossen nabij Brussel. En de landen zijn de familieleden. Vader, moeder, kinderen, een grootmoeder van achtennegentig, een stel neven en nichten, drie ooms en vijf tantes en dat is het zo’n beetje. Zevenentwintig in totaal. Niet meegeteld zijn de bastaards, verguisd en op een zijspoor gezet als het om de erfenis gaat: de koloniën. De Familie Europa. Wie zouden de ouders zijn, de kinderen? Wie is de oude grootmoeder, al of niet wijs? Engeland? Duitsland? Nederland? Vliegen ze elkaar in de haren of vormen zij een sterk en loyaal Verbond. Kunnen ze elkaar vertrouwen of bedotten en bedriegen zij elkaar. Er was eens, lang geleden in een land ver van hier…Ik zie een Europarlementariër op de televisie in een late-night actualiteiten programma zijn mening geven over de toestand in Griekenland. De arrogantie heeft maat XXL. Hij was er geweest, in Griekenland, hij is net terug in feite. Hij heeft er met de politiek gesproken, niet met de mensen, met de politiek. Hij weet wat er moet gebeuren: wij zullen de Grieken mores leren. Wij sturen onze ambtenaren en diplomaten en zullen hen leren hoe je, bijvoorbeeld, belastingen int. Niet alleen belastingen verhogen en uitvaardigen, nee innen. Daar zijn wij, de familie Europa, goed in, in innen, dat doen we al eeuwen. We hebben de zeeën bevaren en zetten voet in verre landen waar wij hebben geïnd. De Europarlementariër heft zijn vinger en zwaait ermee als hij nog eens memoreert hoe de Griekse overheid de zaak heeft beduveld en bedrogen. Dat is waar. Daar mag je iets van zeggen. Moet je iets van zeggen zelfs. Maar wacht, wie moet dat zeggen? Hij die zonder zonden is werpe de eerste steen. Freeze… men valt stil, steen halverwege in de lucht. Wát zeg je? Hij die zonder zonden is werpe de eerste steen. Ja, we hoorden je wel. Waar zijn degenen die verantwoordelijk waren voor het sjoemelen met de cijfers? En waar zijn de ambtenaren en europarlementariërs die dit jaren lang niet in de gaten hadden en geld bleven sturen? En waarom blijft de super- en superrijk geworden elite die zijn munten al lang elders heeft ondergebracht buiten schot? Waarom rept de Europarlementariër met geen woord over hen? ‘Nu moeten ze nog leren de belastingen ook te innen!’ roept hij en loopt rood aan van intense betrokkenheid bij de problematiek. Hij weet het! En de zijnen weten het. Hoe het moet. Gebundeld in een pakket maatregelen. Zorgvuldig opgesteld door de boekhouder van de familie Europa. Europarlementariërs: parlementeren zij voor de mens of voor de munt?Vooralsnog hebben zij een pakket maatregelen. Dat is nodig ja, maar ach…Hoe naïef. Hoe zorgwekkend naïef.Hoe kan een pakket maatregelen ooit een corrupt systeem doordringen, een eeuwenoude cultuur overschrijven, een volk ‘motiveren’ opdat het zich gedraagt conform de mores van de familie Europa? Het zijn andere genen, ander DNA… Dat verander je niet met maatregelen. En hoe gaat het er inmiddels aan toe in het thuisland van de parlementariër? Hij woont in Brussel, in een riant appartement op kosten van degenen die belasting betalen in zijn thuisland en leest de krant zo af en toe. Tussen de bedrijven door. ‘Ziekenhuizen mogen winst uitkeren’, staat er in de krant. De zorg voor de zieke mens is een commercieel product geworden. Als iemand zoiets tien jaar geleden voorspeld zou hebben had men hem voor gek verklaard. Neerwaartse bewegingen richting verval en decadentie voltrekken zich langzaam, steeds een klein stukje opschuiven en als de gemoederen bedaard zijn weer een stukje totdat de zieke mens een commercieel product is geworden. Er gaat zóveel geld om in ‘De zorg’ dat het interessant is geworden voor investeerders, leest de Europarlementariër in de krant. Gaat het daarbij om de zieke mens? Nee, natuurlijk niet. Het gaat om de winst. Luistert u mee, neef Griekenland, zo doen wij dat in de wat koelere streken van ons oude continent. Goed opletten. ‘De NS heeft bonussen uitgekeerd aan het management.’ 'Bonussen? De NS is toch een staatsbedrijf met een publiek doel?''Nou en.''Ja maar… ''Het is zo afgesproken, het staat in het contract met het management.''Ja maar… er is geen geld voor materieel en personeel.''Dat is niet onze zaak, daarvoor moet je bij Pro-rail zijn.' Luister je nog neef Griekenland. Zet je muts op, het is koud. En kijk. Kijk! Een ander Nederland komt tevoorschijn, een kleurig, opgewekt, gevarieerd Nederland. Men staat op van de bank, uit de luie stoel, bindt de schaatsen onder en begeeft zich op het ijs. De Vorst heeft in slechts enkele nachten voor elkaar gekregen wat de politiek alsmaar niet lukken wil: saamhorigheid, plezier, alles en iedereen door elkaar en met elkaar. In de stad, op het platteland, overal waar water is en er is veel water in Nederland! Stromend water dat stil is komen te liggen en de mensen verzamelt. Het kan dus… Ook als het weer gaat dooien. De Europarlementariër vouwt de krant dicht, fronst en strijkt zich bedachtzaam over zijn gladde kin. Dan staat hij op, pakt zijn telefoon en toetst een nummer is… ‘Ne?’ ‘Antonios? Met mij. Je neef. Neem een paar dagen vrij en kom hierheen. Warme kleren en een muts mee. We gaan naar Nederland.’ 2 0 1 2 deel I van IIEr is geen jaartal dat zo veelvuldig en zo divers wordt aangehaald als 2012. Het jaar 2000 deed ook veel stof opwaaien maar 2012 spant de kroon. En terecht. We zullen de Maya’s erop na moeten slaan om erachter te komen waarom. Ook zij worden aangehaald en geciteerd en dan gaat het onvermijdelijk over het einde der tijden alias het einde van de wereld: De Apocalyps.Het is maar wat je een einde noemt. Als men daarmee bedoelt de fundamenten waar onze maatschappijen op gebouwd zijn, ja, dat zou best wel eens kunnen. De wereld anno 2012 is geworden wat zij is door de keuzes die zijn gemaakt en door uitvindingen die de cultuur ingrijpend veranderden. Door idealen, al of niet voorafgegaan door een revolutie of oorlog die ‘een nieuwe tijd’ inluidden. Of door een koele greep naar de macht, niks ideaal, niks filosofie, gewoon macht. We hebben er eeuwen, millennia en wie weet nog langer aan mogen knutselen en uitvinden, beproeven en toetsen, gebruiken en misbruiken. Tijd genoeg…Tijd ondergebracht in kalenders, rekensystemen en rituelen. Tijd vastgelegd volgens afspraken: de Gregoriaanse kalender. Of in een monument: Stonehenge en vergelijkbare bouwwerken. Ook de meest verstokte scepticus en rationeel ingestelde mens kan er niet omheen, deze monumenten zijn zo gebouwd dat bij de winter- en zomerzonnewende de zon (of Sirius) exact door een venster of opening te zien is en het hart van het bouwwerk raakt. De mens heeft zich altijd verwonderd over het verschijnsel tijd en daar ideeën over ontwikkeld. Al of niet omgeven door ceremonie en mysterie.Hebben wij in onze moderne tijd nog ceremonie en mysterie verbonden met tijd?Nee.Onze cultuur heeft zijn fundament in de economie, in geld verdienen, welvaart ook (ofschoon je lang in debat kunt gaan over wat welvaart is), ontwikkeling van het intellect door onderwijs, techniek etcetera. En zij heeft haar fundament in macht. Macht kun je beschouwen als een parameter voor beschaving. Observeer de machtsstructuren in een samenleving en je observeert de mate van beschaving.We zijn ver van huis…We hebben geen beschaving, we hebben zelfs geen samen-leving. We hebben een maatschappij. Dus geen ceremonie en mysterie over de tijd bij ons in het westen, evenmin in het oosten, en zal het lastig zijn een kalendersysteem van de Maya’s te begrijpen of te waarderen, laat staan te doorgronden.Er zijn veel boeken en publicaties inclusief websites gewijd aan hun geniale kalendersysteem. Essentieel verschil met onze gregoriaanse kalender is om te beginnen dat die van de Maya’s samenhangt met de natuurlijke bewegingen van aarde, zon en maan. Het jaar is in dertien maanden/manen onderverdeeld synchroon met de maancyclus van 28 dagen. Past perfect. Maar ook, en dat is interessant, betrekken zij de sterrengroep de Pleiaden in hun systeem. De aarde maakt aldus drie rondes:om de eigen as in 24 uurom de zon in een jaarén samen met de zon om de centrale ster van de Pleiaden (Alcyone) in 26.000 jaar.Op dat moment staat de aarde niet alleen in een rechte lijn met de zon, maar ook met het centrum van de Melkweg.Nogal een moment dus.En dat moment nadert: 21 december 2012Op deze dag eindigt de langste en meest complete cyclus van ons planetenstelsel. Het is twaalf uur oudejaarsnacht maar dan in veelvoud, tot de duizendste macht verheven. Cyclus voltooid. Het einde van de tijd?Nee.Een nieuw begin. 1 januari 20122012Deel II van IIOmdat onze cultuur geen ceremonie en mysterie meer verbindt met tijd en weinig op heeft met kosmische samenhangen - is meer iets voor zwevers en new agers immers - zal de gedachte dat met een nieuwe cyclus van 26.000 jaar ook een nieuwe cultuur aanbreekt niet veel mensen op de been brengen. Bij wijze van spreken. Geen champagne, knallende kurken en vuurpijlen, geen terugblik en vooruitblik, geen top tien van toen en top tien voor straks. Jammer. Want de mogelijkheden die voor de mens gaan komen zijn ongekend. Als het meest schitterende siervuurwerk waar we ons allemaal aan hebben staan vergapen. Magic in the air. De voltooiing van een kosmische cyclus en het begin van de volgende zou je kunnen vergelijken met het wisselen van de seizoenen. Van de winter naar de lente bijvoorbeeld. De meest invloedrijke. Maar dan een winter die 26.000 jaar geleden begon en geleidelijk een heel continent met een dikke ondoordringbare laag ijs en sneeuw bedekte. Onbereikbaar en ontoegankelijk. Overdrachtelijk gesproken. We hebben het over cultuur, abstracte waarden, ideeën, ethiek en idealen. Over het mysterie van tijd en wat deze verborgen houdt dan wel openbaar maakt. Als we zover zijn. Want de transitie naar de volgende cyclus van ons zonnestelsel markeert veel meer dan een rekenkundig model. Om bij het beeld van een bevroren continent te blijven, stel nu eens dat bij het smelten van het ijs zaden en kiemen van planten tevoorschijn komen waar wij het bestaan niet (meer) van kennen? Of van dieren? Mensen misschien? Bewaard en geconserveerd en nu tot leven gewekt. Door zon en door licht. Door het doorkruisen van een kosmisch landschap waar we 26.000 jaar geleden voor het laatst geweest zijn. En met de bagage van wat we in die enorme periode hebben meegemaakt, geleerd, geleden, doorstaan, beproefd en geërfd. Maar voordat de schatten gedolven kunnen worden, en weer: overdrachtelijk gesproken, zal eerst de rommel moeten worden opgeruimd, oude vetes bijgelegd, van mens tot mens en van land tot land. Niet met nog meer oorlog en geweld, niet met macht en onderdrukking, maar met bewustzijn. Bewustzijn! ‘Ha. Iets voor zwevers en new agers. Dat gaat niet werken. Daar krijgen we de pleinen niet mee vol.’Het gaat wel werken. Niet alleen omdat we wel moeten, als wij het tij niet keren doet de aarde het zelf en ze heeft een arsenaal aan mogelijkheden: vulkanen, zeeën en schuivende aardlagen die reageren op trilling. Trilling van mensen, gedachten, gedragingen en motieven. De planeet reageert op waar ze een ondeelbaar onderdeel van is. Van ons mensen. Dus moeten ook wij individueel onze rommel opruimen. En ze is een onderdeel van de kosmos.De kosmos! ‘Ha. Iets voor zwevers en new agers. Daar kopen we niks voor.’Klopt, met geld kom je hier niet ver. Maar het gaat wel werken. Niet omdat we wel moeten maar omdat we het willen. En dat gebeurt vanzelf zodra we meer zicht krijgen op de samenhang van alles dat leeft en ademt, op de kosmische orde en de schoonheid daarvan. Op het mysterie van de tijd. En dan volgt de ceremonie vanzelf.2 januari 2012Rebelse koninginToeval of niet, na Willem van Oranje word ik geïnspireerd door de kersttoespraak van Beatrix. Voor het eerst van mijn leven kijk ik naar de toespraak en meteen midden in de roos: rebels! Ik laat me niet misleiden door de stilistische, uiterst beschaafde en welhaast onbewogen voordracht, ik hoor de woorden en denk er een andere koningin bij. Een die schuilgaat achter het strakke kapsel en het statisch geregisseerde optreden. Een die popelt de handen die netjes over elkaar op de tafel rusten op te heffen en ermee te zwaaien. Boven haar hoofd. Daar zat ze, onze vorstin en gaf het volk een gehazepeperde kerstrede. De emoties die ten grondslag liggen aan de redevoering creëren hun eigen beeld wat zich losmaakt van de camera en een andere Beatrix verschijnt voor mijn geestesoog: ze gaat voorover zitten, zet haar woorden kracht bij, plaatst haar handen plat op de tafel en buigt zich naar voren, naar ons die zij toespreekt. Ze gesticuleert, haar handen woelen door de permanent waardoor deze inzakt en er een betrokken, verontruste vrouw in beeld komt die een van de zeer weinige gelegenheden te baat neemt haar eigen ongezouten mening te geven over het bestuur van volk en vaderland.Een oproep tot rechtvaardigheid, duurzaamheid en gemeenschapszin en een afstand nemen van verrijking en uitbuiting. Dat laatste woord klonk niet letterlijk, maar zeg je het één, dan zeg je het ander, al of niet hardop. Makkelijk gezegd voor een van de rijkste families van Nederland en daarbuiten? Zal best maar daar gaat het nu even niet om. Zij roept op, tien minuten heeft ze om op te roepen en dat is wat ze doet. Ik zie haar tijdens het spreken van haar stoel opstaan en door de stijlkamer ijsberen, geëmotioneerd, hoezo niet er is alle reden voor en emoties communiceren als een malle, iedereen gekluisterd aan het scherm. Ze loopt naar de tuindeuren en zwaait deze open, op naar de natuur, camera volgt haar op de voet. De tuin die voor een moment symbool staat waar ze een lans voor breekt: de natuur, de aarde, de planeet. Thuisbasis van de menselijke soort die dat alleen kan zijn en blijven als we daar zelf zorg voor dragen. Ze gaat ons voor naar een rijtje bomen dat er honderd jaar over heeft gedaan een rijtje bomen te worden, legt haar vingers even aan de lippen, sssst… ‘Hoorde u hem? Dat was een winterkoninkje. Boom weg, winterkoninkje weg.Het is maar een klein nietig voorbeeld’ zegt ze, ‘en ik besef dat ik persoonlijk weinig last heb van alles waar u en de uwen last van hebben, maar ik breek toch deze lans opdat u weet waar ik voor sta. Ik maak gebruik van de kieren in het protocol en zeg wat ik ervan vind, een goed verstaander heeft maar een half woord nodig. U, u met zijn allen, u heeft meer macht dan ik. U kunt het tij keren, ik niet. Doe het dan…’Ze keert om, loopt terug naar de stijlkamer, sluit de deuren en neemt weer plaats achter de tafel. Ze strijkt een losgewaaide haarlok op haar plaats, kijkt in de camera en fluistert: ‘Dóe het dan.’ 27 december 2011Willem de ZwijgerWillem de Zwijger, alias Willem van Oranje, alias de Vader des Vaderlands. Drie namen voor een man met een ideaal: een verenigd land met vrijheid van godsdienst.Vrijheid van godsdienst. Dat wil zeggen: religie niet dwingend opleggen noch verbieden. Willem van Oranje switchte gedurende zijn leven zelf enkele malen van protestant naar katholiek en weer terug, al of niet onder de druk der omstandigheden of uit diplomatieke overwegingen. Het lijkt erop alsof een natie, of staatsman, die zoekt naar een eigen identiteit en naar vrijheid altijd ook wordt getoetst en beproefd op het integreren van religie en van religieuze tegenstellingen. Op 10 juli 1584, toen de Zwijger zich na de lunch naar zijn werkkamer in de Prinsenhof wilde begeven, werd hij opgewacht door Balthasar Gérard. Twee schoten maakten een eind aan zijn leven. En aan zijn werk en dat was de bedoeling. De twee kogels die de muur langs de wenteltrap schampten en butsten vereeuwigen dit drama. Ze zijn een gedenksteen geworden want een ieder die ze passeert zal zich de gebeurtenis voor de geest halen, het even voor zich zien als een kort film fragment dat keer op keer wordt afgedraaid waarmee een doodsmoment tot leven wordt gewekt. Perpetuüm mobile…En hoe zit het met het ideaal van Oranje? Wordt dat ook tot leven gewekt of beperkt men zich tot het drama.Balthasar Gérard zouden we nu, anno 2011, een godsdienstfanaat noemen. Een extremist.Het was niet de eerste en ook niet de laatste politieke moord uit naam van god en vaderland. Je reinste paradox en er is nog nooit heil uit voortgekomen, alleen maar meer tegenstelling, haat en nijd. Met god, wat men daaronder ook moge verstaan, heeft het niets te maken. Het heeft alles met macht te maken. En met angst. Zijn we al iets opgeschoten in de 427 jaar die we verder zijn? En wat is er gerealiseerd van het ideaal van één natie met vrijheid van godsdienst? Godsdienst opgevat als levensovertuiging, levensstijl desnoods. We hebben de hemel zij dank geen inquisitie meer maar intolerantie en fanatisme zijn niet verdwenen. Integendeel. Ze tieren als onkruid in een tuin na een regenbui in de lente. Afgevuurd in one-liners, tweets, in het debat, op straat, op televisie, in de media, in de Staten Generaal… Hebben we nog politici met echte onvervalste idealen? Zijn ze er nietofZwijgen ze…22 december 2011Kruistocht in spijkerbroekDat stond ie dan, onze premier, in hemdsmouwen en spijkerbroek, de manschappen toe te spreken. Manschappen noemen we het nog steeds ofschoon er al sinds enige tijd ook vrouwen deel van uitmaken. Maar dat terzijde. Hij stond daar dus voor de mensschappen en had van te voren goed bestudeerd hoe zijn helden, de Grote Staatsmannen, mannen met macht, zich presenteren voor de troepen. Losjes, casual, jongens onder elkaar, high five-je bij het verlaten van de barakken en trots op volk en vaderland. Uniformen met de nationale kleuren in het embleem in een van god en alles verlaten streek wakkeren de nationale sentimenten aan als wind in de zeilen op een Fries meer. Trots dat ze een paar keer per week de poort uitgaan om cursussen te geven en op te leiden. Cursussen, opleiden… in een gemaltraiteerd en getergd land waar een vaardigheid als lezen en schrijven net zo zeldzaam is als een paradijsvogel. Waar vrouwen worden onderdrukt en beschadigd op een manier zoals bij ons in het verlichte westen destijds door de inquisitie. En dat is welbeschouwd helemaal nog niet zó lang geleden hoor. Waar het deze landen schrijnend aan ontbreekt, is een volwaardige en gelijkwaardige plaats en positie van de vrouw, van het vrouwelijke in het algemeen, los van sexe. Als kwaliteit, eigenschap, als cultuur en vooral en met name: als kracht. Culturen waar het vrouwelijke van de kaart is geveegd kapseizen op den duur, het kan enkele eeuwen duren, maar het kapseist. Niet alleen omdat er onherroepelijk een moment zal komen waarop de wal het schip keert, de vrouwen op gaan staan en ermee stoppen slachtoffer te zijn van de omstandigheden. Het zal ook kapseizen omdat een cultuur die de natuurlijke tegenpool consequent buiten spel zet en onderdrukt en monddood maakt langzaam maar zeker vastdraait en zichzelf verstikt. Het leven vertrekt, de dood blijft over.Kunduz en het land waarin het ligt worden niet geholpen door nog meer mannen in uniform, met wat voor goede bedoelingen en moed ze er ook voor gaan. Mannen van een half miljoen per stuk. Onze premier stond dus voor zo’n slordige tien-, vijftien miljoen zijn speech te houden. Hoe helpen we ze dan, is de vraag. Het land is één groot kruitvat, de mensen uit het vrije en verlichte westen weten en begrijpen niets van stammencultuur, van een nomadisch bestaan. Maar wij hebben een collectief geheugen over de inquisitie en wat dat heeft aangericht. Bewustzijn is hier de schakel. Hoe dat een getergd en straatarm volk kan helpen hebben we nog niet getoetst. Zoals we ook niet getoetst hebben hoe het land zijn eigen schatrijke bodem zou kunnen gaan exploiteren ZONDER dat anderen dan de rechtmatige eigenaren, het volk van dat land, er met de buit vandoor gaan.Soldiers, go home…17 december 2011 God in Zwitserland De wetenschappers van Cern noemen het Higgs deeltje ook wel het God-deeltje. Het is de verbindende schakel tussen theorieën die tot nog toe niet met elkaar in overeenstemming te brengen waren. Hachelijk om als leek iets te citeren over zulke complexe zaken als de kwantumfisica. Maar het is wel interessant te weten dat ook in de esoterische zoektocht van de mens het de Paradox is die iemand tot een bewustzijnssprong kan brengen. Het vraagt van je verder te kijken, verder te reiken dan het eerstopkomende. Thinking out of the box… dan kun je in wonderlijke werelden terecht komen. Het Higgsdeeltje houdt de wetenschappers bezig in hun zoektocht naar de oorsprong van het leven. Het Leven! We willen weten over het leven! Wat een verademing tussen de krantenberichten op een gemiddelde dag, een door-de-weekse-dag-krant die rapporteert over dood, destructie, onderdrukking etcetera. Over conflict en honger en nog meer dood. En dan ineens is daar het Higgs-deeltje, het God-deeltje, ondergronds in Zwitserland.We zullen het nooit te zien krijgen, alleen in zijn manifestatie. Of is het haar manifestatie, dan is het een Godinnen-deeltje. Dames en heren in Cern, zullen we het nu eens een keer met de vrouwelijke signatuur bekleden? En eens zien wat dat doet met de wereld? Het is sneller dan het Licht… 14 december 2011 Dagobert Duck Vraagt niemand zich nu eens serieus af hoe de miljarden bijeen gesprokkeld gaan worden die in de bodemloze put van IMF en ECB gestort gaan worden? En hoe wordt dat beheerd? Hoe kan ooit iemand toezicht houden op zo’n berg geld, hoger dan de boomgrens en met ontoegankelijke vlijmscherpe ijstoppen. Niemand kan daar komen… behalve Dagobert Duck. Gaan we weer: snoeien in de zorg, hypotheken enzovoort. Hoezo lezen we nooit iets over dat totaal mislukte vliegtuigje wat ons nu al meer heeft gekost dan het hele pakket bezuinigingen bij elkaar en het eind van de financiële verplichtingen bevindt zich zich nog ver achter de horizon. Of chargeer ik nu. Nee hoor. Heeft iemand ooit de werkelijke begroting gezien? Nou dan. Ik heb wel een minister met glimmende oogjes bij het model zien staan, als een jongetje van zes voor de etalage van een speelgoedwinkel in sinterklaastijd. Een vliegtuigje dat waarschijnlijk bij de eerste testvlucht al uit de lucht zal vallen. ‘De mankementen zijn aangetoond!’ Dames en heren van de regering, gaat u nog iets doen met deze informatie of is het wachten op de enquete commissie die in 2015 gaat onderzoeken hoe het toch zo ver heeft kunnen komen dat we op het verkeerde paard hebben gewed. Het is nog drie weken 2011 en we kunnen nog zeggen: ‘Nee, nu even niet, we hebben op dit moment wel iets anders aan ons hoofd dan een volstrekt overbodig vliegtuig. En we hebben schoon genoeg van oorlog, we willen geen oorlog dus wat moeten we ermee’. Zoals er nee wordt gezegd tegen kwetsbare mensen, zoals er gesnoeid wordt in kwetsbare sectoren, zoals er gehakt wordt in de natuur die er honderd jaar over heeft gedaan om zo ver te komen en die honderd jaar nodig zal hebben om te herstellen. Als er iémand is die wekelijks deze dingen onovertroffen en feilloos aan de kaak stelt is het Youp van ’t Hek met zijn column in NRC. Is hij een roepende in de woestijn? Geen sprake van. Integendeel. Hij vertegenwoordigt een dagelijks groeiend collectief van mensen dat er genoeg van heeft. Een nu nog onzichtbaar collectief, maar als we een Plein zouden hebben zoals in Egypte of Moskou zou er niet genoeg plaats zijn. Er zijn andere manieren, vreedzaam maar onafwendbaar. Kwestie van tijd. 10 december 2011 Europese top Hoe lang denkt de politiek nog dat wij - burgers, ingezetenen, stemgerechtigden, gewone en ongewone mensen - het spel nog meespelen? Men treft voorbereidingen een Nieuwe Commissie in het leven te roepen die de problemen die de huidige politieke leiders zwaar boven het hoofd zijn gegroeid op Europees nivo moet gaan oplossen. Een commissie die erop gaat toezien dat landen wiens begroting kapseist en de regels voor toegestane tekorten overtreedt gaat aanpakken. Hoe aanpakken.Wat aanpakken. Het is tot nu toe geen enkele politiek leider of vertegenwoordiger van machtige overkoepelende instituten als het IMF en de ECB gelukt een antwoord te vinden op de enorme kwesties die de economie en daarmee de wereld in hun greep hebben. Meer macht als antwoord op macht. Het zal niet werken. Er is tot nu toe niemand die zelfs maar in de buurt van een verlossend woord of visie is gekomen. Hoezo zou deze wel gevonden worden in het op te richten nieuwe instituut?Wie komen daar in? Anders dan wat we al hebben? Een collectief halfgoden soms, gezegende genieën en redders die tot nog toe hun mond hebben gehouden, wachtend op een Commissie om zitting in te nemen om vervolgens de verlossing te prediken? Hou toch op! Daar staan ze straks, mannetje, mannetje, vrouwtje ertussen misschien, nog een mannetje met torenhoge salarissen, torenhoge declaraties, torenhoge kosten, een stoet personeel met evenzo declaraties bovenop het salaris etcetra etcetera. De Toren van Babel, hoe zat het ook daar ook alweer mee… 8 december 2011 Vondelpark Aan het begin van mijn rondje Vondelpark aan het eind van een prachtige herfstdag passeer ik een grasveld waar een grootvader met twee kleine nakomelingen aan het voetballen is. Op de terugweg, drie kwartier later, zijn ze er nog, jongetjes met rode wangen, opa zijn jas inmiddels uit. Terwijl ik langsloop vraagt een van de jongetjes terwijl hij de bal uit de bosjes vist: ‘hoeveel staat het nu?’ Opa: ‘Dertig nul voor mij.’ De wereld een Schouwtoneel Onlangs was ik getuige van een indrukwekkende voorstelling: Mathilde. Een prachtig toneelstuk over het leven van Mathilde Willink, waarmee deze flamboyante persoonlijkheid weer even in onze herinnering kwam: ruim 35 jaar na haar dood was zij daar, tot leven gebracht door een mannelijke acteur:Louis van Beek. Het overschrijden van schier onverbiddelijke grenzen, het is mogelijk. Door Kunst, door de menselijke verbeelding, creativiteit en talent. Getuige zijn van zo’n soort voorstelling laat mij altijd weer achter met verbazing, verbijstering soms en wekenlang nagenieten en denken over wat ik heb gezien. Nog weer eens een catalogus van Willink openslaan bijvoorbeeld op zoek naar Mathilde, waardoor zomaar ineens de prachtigste schilderijen voorbijkomen, een oud zwart-wit filmpje uit 1973 op you-tube voor een interview met haar en hoor ik hetzelfde dialect als in de voorstelling. Fictie en werkelijkheid gaan in elkaar over, de techniek anno 2011 maakt me bewust van de grenzeloosheid van onze digitale wereld, de revoluties op alle gebied en de stand van zaken in onze maatschappij. En dat allemaal door de kunst, die ondanks onbegrensde technische mogelijkheden altijd zal blijven wat zij ten diepste is: mensenwerk! 1 december 2011
home2 opmaak
vang!!
De Dageraadvanger is bij iedere boekhandel te bestellen of rechtstreeks via Bol.com, of Witte uitgeverij
Contact Iris Haeck T. 020 - 320 27 35 E. irishaeck@gmail.com
De Chakana Drie dagen later om half vijf in de ochtend liepen Miguel en Odette langs de spoorlijn naar de bus die stond te wachten op de eerste reizigers van die dag. Aguas Calientes is een klein dorpje in het dal aan de voet van de berg die Machu Picchu huisvest. Het wordt doorsneden door een spoorlijn waar het stadje zijn bestaan aan dankt: het halen en brengen van toeristen die het monument komen bezoeken. Enkele hotels staan pal naast de spoorlijn, die tevens de plek is van een levendige handel. Boven in het dorp is een warmwaterbron om vermoeide reizigers die de bergen in zijn geweest te laven. Er was al volop bedrijvigheid langs het spoor. Kooplieden waren hun kraampjes aan het inrichten, er liepen mensen over en tussen de rails, men moest zelf maar opletten of er een trein aankwam. Ze zochten een plaatsje achterin de vrijwel lege bus en niet veel later reden ze de bergweg naar het tempelcomplex op. Een smalle weg was het die zich nog verder vernauwde zodra ze de berg opreden. Zelfs op dit uur was er al tegemoetkomend verkeer. De bus moest uitwijken waardoor het gedeelte waarin zij zaten boven de afgrond zweefde. Odette voelde een rilling door zich heen gaan, blikte opzij naar Miguel die rustig naast haar zat en naar buiten keek. Hoort dat zo, vroeg ze zich af toen er weer een auto passeerde en ze recht het groene dal inkeek, dat na iedere bocht dieper onder haar kwam te liggen. Kennelijk… Laat ik genieten van het uitzicht. Het begon licht te worden, aarzelend en nog grijs. Er hingen regenwolken en mistflarden langs de bergwanden en in het dal waar ze uitreden. Hopelijk wordt het een mooie dag, dacht ze, het uitzicht zal formidabel zijn. En het zal een formidabele klim zijn. Peinzend keek ze naar de steile ruige bergen, diepdonkergroen en ontoegankelijk. Het leek of het massief hen insloot… Het was kil toen ze de bus uitstapten, door de bewolking en het vroege uur. Odette ritste haar jack dicht en volgde Miguel die de tickets ging kopen. Het was een uitstekend advies geweest van tante Carmen hem als gids te vragen. Een vriendelijke jongeman, jaar of dertig. Ze hadden direct voor de volgende morgen afgesproken. ‘Ik laat je de tempels zien en daarna beklimmen we de Huayna Picchu. Als we vroeg gaan, zijn we er voor de toeristen komen.’ En wat ben ik dan, had ze gedacht, geen toerist.? Ze liep achter hem aan, een kleine donkere man in een gekleurde poncho, rood met geel en een nog feller gekleurde wollen muts over zijn zwarte haar, dat in een staart gebonden onder de muts vandaan kwam. Veel mannen droegen hun haar zo. Ze vond het mooi. Het gaf hen een zekere waardigheid. ´We nemen de route die van bovenaf naar de tempels leidt,´ zei Miguel, ´dat is de oorspronkelijke toegangsweg. Dan dalen we af naar de terrassen en steken over naar de Huayna Picchu. Kom.´ Ze liepen over een smal pad naar boven. Ze zag de terrassen van Machu Picchu liggen: groen, stil, verlaten en indrukwekkend. Ze kon haar blik er niet van afhouden, maar ze moest opletten waar ze haar voeten neerzette. Want ze was in de bergen, de paden hadden geen bescherming langs de zijkant en de ravijnen waren net zo diep als het pad hoog. Ze klommen langzaam naar boven, tot ze bij een muur kwamen waarlangs een tweede pad liep dat naar de terrassen voerde. Miguel wees ernaar, ‘Dit is het oude Incapad. Vanaf hier heb je het mooiste uitzicht.´ Daar had hij geen woord teveel mee gezegd. Zo’n dertig meter beneden hen lag Machu Picchu: een complex van netjes op elkaar gestapelde terrassen en stenen ruïnes in dezelfde kleur als de rotsen rondom, op een groen tapijt, een enkele boom stak tussen de stenen omhoog. Het was een welhaast geometrische constructie van terrassen, kaarsrechte muren, vierkante kamers, ooit kleine huisjes zij aan zij en open aan de bovenkant, een enkele driehoekige muur ertussen die een dak had geschraagd en overal trappen als verbindende schakels tussen de bouwwerken. Een subliem stenen ontwerp in een groen decor van bergen, bergen en bergen: de Andes. De terrassen en ruïnes waren één met het landschap, ze waren eruit voortgekomen en hadden zichzelf er weer aan teruggegeven, zo leek het, nadat de bewoners de huizen en tempels hadden verlaten: het was van hetzelfde materiaal, dezelfde kleur. Vanaf de plek waar ze stonden leek het er eerder op dat de constructie een deel van de berg zelf was dat door het oppervlak heen was gebroken in plaats van de vergane glorie van een oude nederzetting. ‘De verdwenen stad van de Inca’s’, zo werd het genoemd en het droeg een geheim dat nog niet was onthuld door de officiële geschiedschrijving. Men wist niet waar dit bouwwerk werkelijk voor had gediend. Ooit was hier een welvarende en bloeiende gemeenschap gevestigd, het draagvlak van een oude cultuur en traditie met een ceremoniële taak. Een gemeenschap die op een goed moment van de aardbodem was verdwenen. Het was niet bekend hoe deze tot een einde was gekomen en merkwaardigerwijs viel de periode waarin dit gebeurde samen met de val van de Mont Ségur, in het zuidwesten van Frankrijk, waar de Katharen hun gewelddadig einde hadden gevonden. Een plek in het verre Europa, die ook uiterlijk een treffende gelijkenis vertoonde met dit gebied. Miguel wees naar een steile rots, schuin tegenover hen: ‘Dat is de Huayna Picchu, die gaan we straks beklimmen. Maak maar alvast kennis,’ glimlachte hij, ‘dan weet de berg dat je in aantocht bent.’ Het was een indrukwekkend gezicht, geaccentueerd door de stilte op dit uur van de dag. Nu is Machu Picchu even van niemand, dacht Odette, dan van zichzelf en zijn eigen historie. Zijn eigen mysterie ook. De officiële geschiedenis onthult dit niet, maar daarom is het er nog wel. Alles wat ooit op de aarde is gebeurd blijft bewaard in een ontzaglijk groot archief, een Kroniek van de wereld en de geschiedenis van de mensheid. Mensen met helderziende vermogens kunnen daar een blik in werpen en krijgen op deze wijze informatie die de officiële geschiedschrijving over het hoofd ziet of waar deze geen toegang toe heeft. Niet alles in de wereld is geboekstaafd. Er zijn zaken die elders worden bewaard en behoed: de erfenis van een planeet... Odette keek naar de bouwwerken en probeerde zich voor te stellen hoe het ooit geweest was. Met een beetje verbeelding kon je de mensen voor je zien die hier hadden geleefd en gewoond. Stel dat het leven zoals zich dat hier afspeelde als een onzichtbare film boven deze plek zou hangen, dacht ze, en ik zou daar een glimp van kunnen opvangen, wat zou ik te zien krijgen, wat zou ik horen? Waar dienden al die tempels voor? Het waren er tientallen en ze hadden allemaal een eigen functie. Hoe zag zo´n ceremonie eruit, wat voor kleding droegen de mensen? Wat waren hun liederen? Het hangt hier allemaal vlak boven deze plek maar ik kan er niet bij… Ze schrok op toen Miguel haar zacht bij de arm pakte. ´Zullen we gaan?´ vroeg hij. ´Voor de drukte zou ik graag op de top daar zijn,´ en hij wees naar de Huayna Picchu. ´O, o ja natuurlijk. Neem me niet kwalijk, ik was even in gedachten. Ja, laten we gaan.´ Ze keek naar de rots die schuin achter de terrassen steil omhoog rees, schier onbegaanbaar en ongenaakbaar. Hoe in vredesnaam kom ik daar ooit bovenop, dacht ze. Ik zie helemaal geen pad en hij staat zowat loodrecht op de aarde. Of is deze berg een zij, peinsde ze. Ik heb er nooit eerder bij stilgestaan dat een berg mannelijk of vrouwelijk kon zijn. Ze kneep haar ogen half dicht en keek naar de top, het doel van hun tocht. Deze berg is vrouwelijk, besloot ze. Ze volgde Miguel. Ze wilde hem van alles vragen, maar ze had haar adem en aandacht nodig voor het afdalen en soms weer klimmen over en langs de terrassen en de enorme traptreden, terwijl ze het terrein van Machu Picchu overstaken. Ze passeerden kleine nisjes, binnenplaatsen en uitsparingen in de muren en de rots. Het was buitengewoon kunstig in elkaar gezet, mooi en zorgvuldig gebouwd. Ze streek met haar hand langs de stenen, terwijl ze langs de muren van de ruïnes liep. Geen twee stenen waren aan elkaar gelijk en toch vormden ze samen een stevige loodrechte strakke muur: iedere steen paste volmaakt in het geheel. Hoe kan zoiets, vroeg ze zich af. Miguel hield stil toen ze in een ruimte kwamen met in het midden een driekantige stenen verhoging, zo’n tien centimeter hoog. ´Dit is de tempel van de condor,´ zei hij. ´Als je op die steen daar gaat staan en aan de condor denkt, maak je contact met hem. En met zijn kracht.’ Hij keek naar boven, alsof hij de condor zocht maar regenwolken hielden de streken waarin deze zich ophoudt uit het zicht. ´Geloof jij daarin,´ vroeg Odette, ´dat zoiets kan?´ ´Waarom zou het niet zo zijn,´ antwoordde Miguel rustig. ´Hoe kan het dat de condor een muis op het veld ziet als hij ver van de aarde in de lucht aan het cirkelen is. En als hij een muis kan zien, kan hij mij zeker zien. Mijn gedachten aan de condor roepen hem en dan ziet hij mij.´ Hij keek haar aan, ´Als je wil dat hij jou ook ziet, ga dan op de steen staan en zie wat gebeurt.´ Odette ging op de stenen verhoging staan, sloot haar ogen en dacht aan de condor, hoewel ze er nog nooit een had gezien. Ze stelde zich voor hoe hij in de blauwe lucht hoog boven haar cirkelde en naar haar keek met zijn felle ogen boven een vlijmscherpe gekromde snavel. Ze probeerde het geruis te horen van zijn machtige vleugels en de windvlaag te voelen die dat veroorzaakt. Als hij erin gelooft, kan ik dat ook wel doen, dacht ze. Het bevalt me, het bevalt me heel erg om hier zo te staan en contact te maken met de condor. Na een paar minuten opende ze haar ogen en keek Miguel aan. ´Wat mooi om dat zo te doen,´ zei ze terwijl ze van de verhoging afstapte. ´Wie weet gaan we vandaag wel een condor zien, dat zou echt geweldig zijn.´ Miguel lachte, ´Reken maar dat hij jou nu heeft gezien maar het is aan hem wanneer hij zich aan jou toont. Misschien vandaag, volgende week, of over twee jaar: het gebeurt.´ Ze vervolgden hun weg en kwamen niet veel later bij een hek waarnaast een klein huisje stond. ´Hier moeten we ons inschrijven,´ zei Miguel en hij liep naar het huisje waar een groot schrift lag met een pen ernaast. Ze schreven zich in: naam, land van herkomst en de tijd, 6.15 uur. ´We gaan langs de achterzijde naar boven,’ zei Miguel, ´dat is de oude weg. De meeste mensen nemen de voorzijde, die is gemakkelijker om te lopen maar deze is veel mooier. Kom,´ zei hij weer en ging voorop. Odette keek naar boven en wilde meteen dat ze dat niet had gedaan. De berg torende hoog hoog hoog boven haar uit en de moed zonk haar in de schoenen. Hóe in godsvredesnaam kom ik ooit boven, dacht ze opnieuw. Maar deze berg heeft een vrouwelijke signatuur, misschien helpt dat. Hoe kom ik er eigenlijk bij om een berg te gaan bezielen alsof ze mij kent. Omdat Miguel dat zo-even zei? Maar ik voel het zelf ook… Misschien ben ik beïnvloed door de tempels waar we net doorheen zijn gelopen en door die film die ik me inbeeldde, waar het leven van de bewoners in ligt opgeslagen. Wie weet heb ik er toch een stukje van gezien… Ze begonnen aan de klim, langzaam, stap voor stap. Ze moest opletten waar ze liep: het pad was ruw, gebutst en ongelijk. Ze was het niet gewend in de bergen te lopen. Haar reizen hadden zich voornamelijk gericht op steden en kusten, plat land. Bovendien was het zachtjes gaan regenen en dat maakte de grond modderig en glad. ´Miguel, ik moet af en toe wel even stilhouden en op adem komen,´ riep Odette die nog met een gebrek aan zuurstof worstelde zodra de weg omhoog voerde. Miguel draaide zich even om: ´We gaan eerst naar de Tempel van de Maan, die ligt halverwege de berg, daar kunnen we rusten. Er nadert onweer en ik wil graag daar zijn als dat losbreekt.´ ´Ónweer?´ ´Maak je geen zorgen, het onweer hier is heftig maar ook snel weer voorbij. Niets aan de hand, anders had ik onze trip wel afgelast. Maar we moeten wel even voortmaken nu.´ Ze keek naar de lucht. De bergtoppen waren al verdwenen in een dikke donkergrijze wolkenmassa, het begon harder te regenen. Ze liepen door, omhoog en omhoog. Naast hen week de grond steeds verder de diepte in. Ze hoorde haar eigen ademhaling, zwaar en diep en ze hoorde het ruisen van de regen. Ze liepen onder een baldakijn van vegetatie, druppels vielen van de bladeren op haar gezicht en in haar hals, het water liep in haar nek, de natte grond trok aan haar schoenen, een tak zwiepte rakelings langs haar gezicht: de berg gaf zich niet zomaar gewonnen… Wat doe je hier? Op dit vroege uur? En waarom wil je aan déze kant naar boven in plaats van langs de voorkant waar een pad is gemaakt? Speciaal voor toeristen? Of ben je geen toerist? Wat ben je dan wel? En waar kom je vandaan? Hoe heet je… Het kostte Odette de grootste moeite Miguel bij te houden maar het naderende onweer en het vooruitzicht even te kunnen uitrusten straks in de schuilplaats maakte dat ze doorliep, hijgend. Een lichte hoofdpijn kwam op. Ze pakte de waterfles en nam een paar slokken, struikelde bijna. Opletten! Maar de omgeving was zo ongelooflijk mooi… Steeds keek ze om zich heen, verrast door de rijke en weelderige vegetatie. Van ver had deze berg ongenaakbaar en kaal geleken maar dat was een volkomen misverstand zag ze nu. Er vormden zich plassen op het pad en hier en daar stroomde het water naar beneden. Klimmen was nu gemakkelijker dan afdalen: de grond werd glad. Ze voelde hoe het zweet langs haar rug stroomde, net als de regen langs haar jack. Het begon te rommelen, het onweer kwam dichterbij. ´Na de volgende bocht is het,´ riep Miguel. Ze klommen door en betraden een open veld. ´Kijk! De Tempel van de Maan,´ zei Miguel en wees naar een grote stenen rots die zich over het veld boog, zo leek het, met in het midden een opening: de ingang. Erboven en ernaast was een stenen bouwwerk, bestaande uit dezelfde soort nisjes en stenen kamers zoals ze beneden had gezien. ´Hier gaan we schuilen,´ zei Miguel, ´zoek maar een plek uit.’ De nissen waren net groot genoeg voor één persoon. ´Waarom gaan we daar niet zitten?´ vroeg Odette en wees naar het grote bouwwerk. Miguel schudde zijn hoofd. ‘Dat is het Huis van mama Quila, daar ga ik niet in.’ ‘Mama Quila?’ Maar hij was al doorgelopen naar de stenen nisjes. Ze haalde haar schouders op. Ze zou liever daar zou gaan schuilen maar misschien was dat niet toegestaan. Ze zocht een plek en installeerde zich, ze kon haar benen net niet strekken. Waar zouden deze ruimtes voor gediend hebben? Je kunt er amper in staan, maar ze bieden een perfecte beschutting. En net op tijd, het onweer brak in volle hevigheid los. ‘Gaat het Odette?´ hoorde ze Miguel roepen. ´Het onweer is hevig maar duurt niet lang. Maak je geen zorgen.´ ´Ik ben oké,´ riep ze terug, ´en ik maak me geen zorgen.´ Hoewel, dacht ze… Een felle bliksemstraal schiet door de lucht en vlak daarna dreunen de eerste donderslagen over het terrein. Het dondert en het kraakt, de lucht valt aan scherven op de grond en op het dak van hun nis, op de bladeren en de takken, de scherven donderen de helling af het dal in, wegstervend gerommel vrijwel direct gevolgd door een volgende knal. Kabaal wordt over hen uitgestort, water wordt over hen uitgestort. De stoppen slaan door, het licht gaat uit. Odette kruipt zo dicht mogelijk tegen de achterzijde van de nis: ze kan geen kant op, ze is opgesloten in een stenen doos totdat de natuur haar weer vrijlaat. De bladeren buigen onder de druk van de regen, de dieren kruipen in hun hol en de mensen schuilen in wat ooit een tempel was. Opnieuw flitst een bliksemstraal door de lucht en nog één, oogverblindend, vlak achter elkaar, vuur uit de hemel waar mythen de hand van de goden in zien en dat is heel iets anders dan de bliksem als een wetenschappelijk te verklaren natuurverschijnsel. De ene donderslag na de andere volgt met oorverdovend geraas en gekraak: het lijkt alsof de hemel naar beneden valt. Het is inmiddels zo donker als de nacht, alleen het witte licht van de bliksem doorklieft deze duisternis, het grote Tapijt dat de Werelden van elkaar gescheiden houdt scheurt voor een ogenblik open, een kort moment slechts, maar toch… En Odette, ineengedoken in haar schuilplaats gaat begrijpen waarom de mythen spreken van de hand van de goden en niet van een natuurverschijnsel. De regen wordt een stortbui, een muur van water die met geraas naar beneden komt: ze kan er niet uit, ze kan niet weg, de muur zal haar tegenhouden. Is ze nu bang? Is ze bang voor de donder op de berg en de muur van water? Is ze bang van de natuur die haar gevangen houdt in deze nis? Nis? Het is helemaal geen nis: haar schuilplek is onderdeel van een tempel en bovendien is de berg vrouwelijk en haar goed gezind. De berg is ook haar gids Miguel goed gezind. Weet ze dat allemaal wel? Odette zit met haar armen om haar knieën geslagen, haar hoofd naar beneden, buigend voor het natuurgeweld. Nu hoef ik me ook niet meer af te vragen hoe ik bovenop deze berg moet komen, denkt ze, want dat zit er niet meer in na deze waterval. Het leek een eeuwigheid dat ze daar zo zat maar in werkelijkheid was het nog geen half uur toen het gedonder begon af te zwakken tot gerommel in de verte, de bliksem doofde en de muur van water weer gewoon regen werd. En na nog eens tien minuten was het droog. En stil. Heel stil. Hier en daar viel een druppel water van de bladeren en takken, maar verder gebeurde er niets. De natuur hield haar adem nog in na zo veel geweld dat op zichzelf tot diezelfde natuur behoorde. Er kierde al blauw in de lucht… Odette kroop uit haar schuilplaats, rekte zich uit en keek om zich heen. Ze zag Miguel iets verderop staan, hij grijnsde. ´Overleefd?´ vroeg hij. ´Zo te zien wel,´ antwoordde ze. ‘Ik zei het je al, kort maar hevig. Nog even en we kunnen verder.´ ‘Verder!´ riep Odette verbaasd uit. ´Je gaat me toch niet vertellen dat we nu nog naar boven gaan?´ ´Natuurlijk wel,´ antwoordde Miguel. ´Het water is zo weggezakt en dan kunnen we door. Bovendien hebben we het moeilijkste deel achter ons. Hogerop gaat het pad over in steen, dat klimt veel makkelijker.´ Inmiddels was de lucht helemaal aan het openbreken en de zon kwam door. De druppels water op de bladeren en takken rondom hen lichtten op en werden tot kristallen. Het schitterde en flonkerde aan alle kanten. Langs de flank van de berg aan de overzijde steeg damp op, als een rooksignaal aan de reizigers: de kust is weer veilig! De natuur veerde op, leefde…’ Miguel spreidde zijn armen uit, keek om zich heen: ‘En hier is de beloning!´ ´Het is prachtig, ongelooflijk!’ Ze keek rond. Hoe was het mogelijk, nog maar een half uur geleden had deze plek in duisternis gelegen en nu glitter overal. Ze keek naar de overhangende rots van de tempel. ‘Ik zou graag even in de Tempel van de Maan,´ zei Odette en wees naar de zich over het veld buigende rots, ´mag dat?´ Miguel keek haar even aan en liet zijn armen weer zakken. ´Als je dat wilt, ga je gang.´ ´Wil jij er niet in?´ ´Nee,´ zei Miguel kort. Merkwaardig dacht Odette opnieuw, waarom zou dat zijn... Maar ik wil er wel in. Ze liep naar de overhangende rots, bukte zich en betrad de Tempel van de Maan. Ze kwam uit in een gewelfde ruimte met vensters aan de voorkant waar het enige licht door naar binnen viel. Dieper in de grot was het donker en dicht. Ze hield haar adem in, het was werkelijk alsof ze een gewijde plaats betrad. Deze was in feite niet meer dan een uitsparing in de rots, die zich als een ovaal over haar heen boog. Ze kon zodra ze binnen was alweer rechtop staan. Door de vensters kwam genoeg licht binnen om te zien waar je liep. Op de randen ervoor lagen grote brokken steen, glad, bijna gepolijst en in vreemde vormen. Ze probeerde er een op te tillen maar ze waren loodzwaar. Wat een vreemde stenen... ´Miguel,´ riep ze vanuit een venster ´wat zijn dit voor stenen?´ ´Meteorieten.´ Hij zat een eindje verder op de rots een stuk pizza te eten. ´Meteorieten? Hoe komen die hier?´ Miguel haalde zijn schouders op: ´Ik weet het ook niet. Ze liggen er al zo lang als de herinnering teruggaat.´ ´Hemel, dan heb ik dus een meteoriet in mijn handen. Geen wonder dat ik het een vreemde steen vond.´ Odette liep verder. De ruimte voelde vredig en goed. Ze ging even op de grond zitten en probeerde zich opnieuw voor te stellen hoe het was geweest toen deze tempel nog in gebruik was, tijdens de bloei van de cultuur van het volk dat hier had geleefd. Mensen die hetzelfde pad hadden beklommen als zij, die in dezelfde nissen hadden gezeten en ook op handen en voeten deze grot waren binnengekropen. Die de berg in waren gegaan die vrouwelijk was dus eigenlijk zat ze nu in een soort baarmoeder. Misschien werd deze tempel vroeger gebruikt door vrouwen om hun kinderen in te baren. Veilig in de schoot van moeder aarde terwijl uit hun eigen schoot een nieuwe generatie werd geboren. Ze zag het weer voor zich, zoals ze het voor zich had gezien toen ze op het tempelcomplex neer had gekeken vanaf het Incapad. Zou hier ook zo´n film zijn, die alle gebeurtenissen bewaart? Zo zat ze te denken, Ze sloot haar ogen en doezelde weg. Weg van de berg, of juist erin. Ze liet zich meevoeren… Kom, laten we gaan! Door de poorten van klank en kleur, naar de Domeinen. De Domeinen van het wonderbaarlijk Perspectief om samen op stap te gaan met de Magiër. Verheug je, O verheug je! Als hij je wenkt en vraagt of je mee wil gaan naar de Domeinen van het wonderbaarlijk Perspectief. Waar het lichter wordt als de avond valt en waar in de nacht de Zon uiteenspat in ontelbare lichtvonken, zoiets als sterren maar dan anders Hij wil jou meenemen naar deze streken Jij en niet een ander Dus kom! Hij wil je meenemen naar het strand waar schelpen liggen in alle kleuren van de regenboog, langs een zee net zo blauw als de hemel, wanneer het licht zich daar langzaam uit terugtrekt. En zo helder dat je de bodem kunt zien. Blauw als een mantel die om je schouders wordt gelegd om je te beschermen. Als het killer wordt. Hij neemt je mee naar de Kluizenaar bovenop de berg waar de bron is, die langs haar flanken naar beneden stroomt. Onophoudelijk. Om je te laven als je dorst hebt of moe bent van het klimmen. En als je dan stil wordt en ook de wind zwijgt, dan kun je het Lied horen. Het Lied van de Berg. Luister … De Berg zingt! De Berg zingt voor jou, omdat Zij zich onnoemelijk verheugt dat je tot hier bent gekomen en jou omhelzen wil met klank. En wie het Lied éénmaal heeft gehoord, zal het nimmer meer vergeten. Als de Hymne heeft geklonken en jou bij je naam genoemd. ´Odette? Odette!´ Ze schrok op. Was ze nu in slaap gevallen? Maar ze zat gewoon rechtop. Ze had even gedroomd, zo leek het… ‘Ik kom eraan Miguel.´ Ze wreef over haar ogen, waar was ze geweest. Wie weet hoe lang ze hier had gezeten in deze heerlijke ruimte. Ja, ze vond het fijn hier. Ze stond op en kwam weer naar buiten. ´Sorry Miguel, ik geloof dat ik even ben weggedoezeld of zo daar binnen. Heb ik je lang laten wachten?´ ´Dat valt wel mee,´ zei Miguel, ´maar het water is inmiddels voldoende weggezakt om zonder problemen naar boven te klimmen en ik zou graag onze tocht vervolgen.’ ‘Ik kom eraan.’ Ze propte haar regenjack in het kleine van kleurige stof geweven rugzakje dat ze op de markt had gekocht, dronk wat water en strikte de veters van haar schoenen. ‘Zo, klaar,´ zei ze. Ze had er zin in! Ze wilde naar boven, naar de top van de berg. Waar kwam die vitaliteit zo ineens vandaan? Ze wist het niet maar het kwam goed uit: ze waren op de helft en het zwaarste stuk moest nog komen. Miguel ging haar weer voor. Ze klommen achter de tempel langs naar boven, door de struiken en vonden het pad. Het ging direct steil omhoog maar zoals Miguel al had gezegd, het pad ging over in steen, soms trapsgewijs en dan weer vlak. En zo klommen ze verder en rustig naar boven, de berg op. De grond lag inmiddels ver beneden hen. Het pad eindigde voor een steile wand, ingeklemd tussen twee rotsen en voor hen stond een hoge houten ladder. Een ladder! ´Gaan we daarop?´ vroeg ze verbaasd. ´Ja,´ zei Miguel, ´het is een prima route. Kijk, je kunt het oude Incapad zien,´ en hij wees op een smalle richel met inkepingen die langs een van de rotsen was uitgehakt, nauwelijks tien centimeter breed. Iets voor acrobaten! Of voor een Inca. In ieder geval niet voor haar… De ladder was dus een uitkomst. ´Ga jij maar eerst,’ zei Miguel. Ze voelde even aan het gevaarte. Haar Amsterdamse glazenwasser zou hier zijn pet voor afnemen, zo hoog was hij. Ze zette haar voet op de smalle lat van de eerste tree, dan de volgende en zo verder en zo voort. De ladder bewoog, hij veerde mee met iedere stap, ze had het gevoel alsof ze zweefde. Nu heb ik zelfs geen vaste grond meer onder mijn voeten. Het voelt alsof er niets meer is tussen mij en de grond, alsof de berg ertussenuit is gevallen... Dit is wel zo onwezenlijk. Miguel volgde haar: nu bewoog de ladder ook nog mee met zíjn voetstappen. Ze klemde haar handen vast aan de zijkanten. De rand van het plateau kwam al in zicht, ze was er… Miguel ging weer voorop. ´Nu nog dit stukje oversteken en dan zijn we er.´ Voor haar lag een stenen vlak, schuin hellend naar de rand en daar hield de berg op: lucht, hemel, niets... Miguel liep er overheen. ´Gewoon voor je kijken Odette, je kunt met je linkerhand wat steun zoeken.´ Odette keek naar Miguel die al bijna aan de andere kant was en zette voorzichtig een voet op het hellend vlak. ‘Deze berg heeft mij beschermd voor het noodweer, ik was in haar heilige binnenruimte, hoezo zou ik hier nu niet overheen kunnen wandelen? Als ik het wandelen noem, wordt het anders.’ Ze deed een stap naar voren, ze kon gewoon voelen dat er niets meer was tussen haar en de zijkant. Haar benen werden slap, haar maag trok samen, ze werd duizelig, het vlak begon te draaien, te draaien. Als ze viel zou ze naar de zijkant rollen en daar was niets meer, niets… ‘O god.’ Angst overviel haar, ze wilde Miguel roepen die voor haar liep, maar haar keel zat dicht, ‘O god, wat gebeurt er nou…’ Ze sloot haar ogen. ‘Niet opzij kijken, gewoon doorlopen, rechtdoor, recht - door. Ik ben het niet gewend, dat is alles, ik ben van het platte land, wat doe ik ook hier!’ Ze boog voorover, legde haar handen op het stenen oppervlak, ze wilde de aarde voelen, bodem, materie, ze wilde de berg voelen. Ze haalde diep adem. Het draaien hield op maar er was geen kracht meer in haar benen, geen kracht meer in haar lijf. Ze stond voorovergebogen als verlamd halverwege het plateau… Zo zo vrouw, ben je zover gekomen? Dat verheugt me zeer. Ik zag je vanmorgen vroeg al staan aan de overkant, op het Oude Pad. Je keek naar me met een diepe rimpel tussen je ogen en ik zag ook dat de moed je in de schoenen zonk toen je omhoog keek, naar de plek waar je nu bent. Dat had je niet gedacht, nietwaar, dat je hier zou staan? Maar je bent er! Zo zie je maar. Ik heb er velen gezien, die net als jij omhoog keken en vervolgens op hun schreden terugkeerden of hun tocht naar boven halverwege afbraken. Je hebt gekozen voor het pad dat langs de achterzijde loopt en intussen weet je dat dit de voorzijde is. Dankzij je gids. Je hebt een goede en betrouwbare gids uitgekozen en dat is belangrijk als je een tocht als deze wilt maken. De weg langs de achtervoorzijde kent zo haar eigen uitdagingen, maar je hebt ze doorstaan. Je kent je eigen krachten niet Odette, zoals de meeste mensen. Inmiddels weet ik dat je geen toerist bent en ik weet je naam. Ik ken je, wist je dat? Nee, je bent het vergeten, en weer, zoals de meeste mensen, maar goed, daarom maak je deze tocht. Om je te Herinneren. Ik zie je klauteren op de ladder, geen grond meer onder je voeten, geen steun opzij, alleen maar ijle lucht: het rijk van de condor. Ook hij heeft je gezien. En nu het laatste stuk, naar de uiterste rand, niets boven je, niets naast je, geen houvast. Ik zal je helpen, ik hef je omhoog: naar mijn top, kom… ‘Gaat het Odette? Kom, geef je hand,’ Miguel deed een paar stappen terug en reikte naar haar uit. ‘Kom.’ Ze pakte zijn hand… Voilà, je bent er. Welkom! Ze was er! Op de top van de Huayna Picchu. Deze bestond uit een paar grote platte stenen die dwars tegen elkaar aan lagen, als ijsschotsen. Boven en om hen heen strekte zich het eindeloze blauw uit van een wolkenloze hemel. Ze voelde de wind, ze voelde de ruimte, de weidsheid. Ze voelde vrijheid! Woorden schoten tekort… De planeet lag in al haar glorie om haar heen. Maar ze moest nog bijkomen van die plotselinge verlammende angst. Haar benen trilden, ze zocht steun bij een stuk rots, legde haar handen op haar rug, met de buitenkant tegen de steen en probeerde tot rust te komen. Haar hart klopte als een bezetene. Maar dat kwam vast door het gebrek aan zuurstof… Rondom waren de bergen, zover als ze kon zien bergen, diep donkergroen met soms een waas van blauw, ongerept en van een woeste schoonheid. En ongenaakbaar maar ze wist nu dat dit schijn was, want er liepen paden langs en over. Er waren daar onvermoede dingen zoals weelderige natuur en tempels. En beneden, ver beneden zich zag ze Machu Picchu liggen, waar inmiddels mensen liepen. Kleine bewegende stipjes die uitzwermden over de terrassen. Ze keek naar Miguel die was gaan zitten op een van de stenen blokken. Ze kwam naast hem zitten, ´Dit is absoluut geweldig,´ zei ze. ´Dank je wel dat je me hierheen hebt geleid.´ ´Graag gedaan,´ zei hij met een grijns. Zo zaten ze geruime tijd om te kijken en nog eens te kijken. Om alleen maar te zijn. Op de top van de berg temidden van een overweldigend panorama. Het werd warmer, Miguel deed zijn poncho uit en knoopte hem om zijn middel. Hij droeg een wit T-shirt, om zijn hals hing een sieraad, een donkergroene steen aan een dunne zwartleren veter. Odette keek ernaar. ´Wat een mooi sieraad,´ zei ze wijzend op de steen in de vorm van een achtkantig kruis met een ronde uitsparing in het midden en glanzend gepolijst. ´Ik heb ze gezien in de winkeltjes beneden,´ zei Odette, ´ik vroeg me al af of het een oud symbool was of zoiets.´ ´Dit is een chakana, ook wel Incakruis genoemd,´ zei Miguel. ´Degene die je hebt gezien zijn ook chakana´s, maar ze zijn toch heel anders dan deze. Deze is volgens de oude traditie gemaakt, van een steen afkomstig van de tempels daar,´ en hij wees naar beneden. ´De chakana´s van de markt komen van de fabriek, maar deze niet. Deze is met de hand gemaakt.´ ´Hij is prachtig,´ zei Odette. ´Vooral de kleur, zo mooi donkergroen. Net als de bergen hier.´ Miguel pakte de steen, draaide hem even rond en haalde toen de veter over zijn hoofd en deed hem af. ´Hier,´ zei hij, ´je mag hem hebben. Hij is voor jou.´ ‘Voor mij? Je geeft hem zomaar aan mij? Hoezo?´ ´Omdat je zo mooi hebt gezongen.´ Hij leek verlegen en draaide zijn hoofd af. ´Gezongen? Heb ik gezongen? Wanneer dan!´ riep Odette verbaasd uit. Miguel keek haar weer aan, ´Daarnet toch. Toen je in de grote tempel zat.´ ´Maar ik heb helemaal niet gezongen,´ riep Odette uit, ‘daar weet ik niets van.´ ´Dat bedoel ik nou,´ riep Miguel uit, terwijl hij zijn armen in de lucht gooide. ´Er gebeuren altijd van die rare dingen in de tempel. Ik heb je toch duidelijk horen zingen, het was erg mooi en´… hij stopte even, ´het leek alsof de berg zelf zong. Ik was ontroerd.´ ´Maar Miguel, ik kan me absoluut niet herinneren dat ik heb gezongen, ik doe dat soort dingen ook helemaal niet maar… ik ben wel even weggedoezeld, misschien dat ik toen heb zitten zingen, dat zou kunnen.´ Ze fronste haar wenkbrauwen. Ze had heel even gedroomd, zo had het geleken maar ze kon zich er niets van herinneren. ´De chakana zal je beschermen,´ zei Miguel terwijl hij de steen aan Odette liet zien, ´ook als je hem niet draagt. Er zit veel symboliek in. De vier windstreken zie je in de vier uiteinden van het buitenste kruis, de oneindigheid in het midden waar het leeg is. Het Zuiderkruis zit erin,’ hij wees even omhoog, ‘de steen heeft twaalf hoeken, er zijn twaalf maanden en nog veel meer symboliek die niet zichtbaar is, maar er wel in zit, zoals de drie dieren: de poema, de condor en de slang.´ Odette aarzelde, ze wilde de steen van hem overnemen maar trok haar hand weer terug, ´Miguel, ik kan deze steen toch niet zomaar aannemen?´ ´Ik geef hem je,´ zei Miguel ´dus het kan. Het behoort ook tot de traditie van deze steen dat je hem weggeeft als je iemand tegenkomt van wie je denkt dat hij daar wil zijn. En deze steen wil bij jou zijn.´ Hij keek haar aan, weer met die verlegen blik. ´Omdat je je hebt laten zien aan de condor. En omdat je de berg hebt laten zingen.´ Odette was diep geraakt door deze woorden, die precies weergaven wat ze zelf had gevoeld. Ze nam de steen van hem aan, legde hem in haar hand, streek er even over, ‘Hij is werkelijk prachtig… Dank je wel.’ ‘Hij zal je goed staan. Hij heeft dezelfde kleur als je ogen. Hij past echt bij jou.’ Odette sloot haar vingers om de steen, voelde het materiaal dat deel was geweest van de berg die ze had beklommen, waar ze in had gezeten, die had gezongen… en die nu een stukje van zichzelf aan haar had gegeven. Ze was ontroerd door het gebaar van Miguel, door de wonderlijke tocht die haar hier had gebracht, hoog boven de wereld, middenin een hemelsblauwe vrijheid. ‘Waarom wilde je niet in de grote tempel Miguel?´ vroeg ze, ´of mag ik dat niet vragen.´ Hij haalde weer zijn schouders op. ´Die tempel is voor de vrouwen,´ zei hij kort. ‘Het is een Huis van Mama Quilla. Ik kan en wil daar niet in. Er gebeuren daar dingen. Ik kon het aan je zien toen je weer naar buiten kwam. Je ogen straalden helemaal en je leek opgetogen.´ O god, dacht Odette, ik heb het dus precies goed gevoeld. ‘Wie is mama Quila?’ ‘Grootmoeder Maan,’ antwoordde Miguel. Hij deed zijn muts af en wapperde ermee voor zijn gezicht. Het was warm… Ze zwegen weer en Odette dacht na over haar ervaringen tijdens deze klimpartij. Er was ontegenzeggelijk iets met deze berg wat ze niet kon verklaren. Zij, met haar westerse opvoeding en logische denkwijze had hetzelfde ervaren als wat Miguel, een jongen van dit land stammend uit een oud Indianengeslacht, erover had gezegd. Maar waarom was hij dan bang voor de tempel? ´Miguel,´ zei ze, ´als je het mooi vond, het zingen en als ik er kennelijk stralend uitkwam, wat is het dan dat je de tempel niet in wilt? Dat zijn toch juist mooie dingen, als die gebeuren? Deze berg heeft ons beschermd tegen het noodweer en ook al is de grote tempel voor de vrouwen, jij bent daar toch evengoed welkom? Het is een hele mooie plek en…’ Ze zweeg. Wat zit ik nou te doen, dacht ze. Ik weet niéts over de tradities van dit land en zijn volk. Ze schaamde zich. Wat moet hij nu wel niet van me denken. Ze zuchtte en tuurde weer naar beneden, naar die levende, bewegende ook al donkergroene plattegrond van een oeroud tempelcomplex, duizenden kilometers van haar eigen land en vierduizend meter boven de zeespiegel. Geen wonder dat ze vreemde dingen ging zeggen. Maar Miguel raakte even haar arm aan en zei: ´Zo heb ik er nooit over gedacht. Ik heb die plek altijd gemeden, maar wat je zegt is waar. Ik weet zelf niet waarom ik aarzel die tempel binnen te gaan. Mama Quila heeft ons beschermd en jou stralend gemaakt, ja… Ik kom hier vaak, ik zal er eens over denken en zien of het misschien verandert.´ Ze hoorden stemmen, de eerste bezoekers naderden en even later verschenen drie jonge mannen op het plateau. Canadezen, te zien aan het embleem op één van de jacks. Ze keken verbaasd naar Miguel en Odette: hoe kwamen die hier? Er had immers niemand voor hen gelopen? Zij dachten dat ze de eersten waren. Miguel vertelde hen dat er nog een andere route was. ‘Aha, een geheime route dus,’ zei er één. ‘Kunnen wij die ook nemen, op de terugweg?’ Miguel zei dat hen dat hen vrijstond, maar dat deze lastiger te gaan was. Zeker bij een afdaling. Ze zagen ervan af. Miguel stond op. ´Zullen we gaan?´ vroeg hij, ´of wil je nog even blijven?´ Odette schudde haar hoofd, stond ook op, deed de veter met de steen om haar hals. ´Dank je wel voor dit prachtige sieraad Miguel. Ik ben er ongelooflijk blij mee.´ Miguel glimlachte, ´Eigenlijk is het een geschenk van de berg zelf. Want de chakana is gemaakt van de stenen hier.´ Hij maakte een omvattend gebaar met zijn armen. Ze daalden langs de andere kant de berg weer af. `Wees voorzichtig,´ zei Miguel, ´afdalen is lastiger dan klimmen. Doe het rustig aan.´ Het pad was goed onderhouden met stevige ijzeren leuningen langs de bergwand als houvast en bescherming. Het waren eigenlijk meer traptreden, maar geen tree was van gelijke hoogte en ze had al haar aandacht nodig om haar evenwicht te bewaren. Bovendien moest ze steeds uitwijken voor mensen die de berg juist opgingen. Ze groetten elkaar: de een op weg naar boven, de ander naar beneden, soms even wachtend zodat men kon passeren. Beleefdheid en vriendelijkheid waren hier niet alleen een goede gewoonte, ze waren ook noodzakelijk voor een goede gang van zaken. De grond kwam weer dichterbij, de plattegrond van Machu Picchu groeide uit tot ware grootte en ineens stonden ze voor het kleine huisje met het bezoekersregister en schreven zich uit: naam, land van herkomst en de tijd: 14.00 uur. En twee uur later stapten ze uit de bus naast het station en de marktplaats die nu in vol bedrijf was. Tijd om even te rusten van de klim en de indrukken. Tijd ook voor afscheid. ‘Miguel, dank je wel. Uit de grond van mijn hart. Voor deze tocht en voor deze steen.´ Ze raakte de chakana even aan met haar hand. Miguel keek haar vrolijk aan, ´Ik bedank jou Odette, voor je mooie lied ook al kun je je dat niet herinneren. Misschien ga ik op een dag toch in de tempel. En dan zal ik aan jou denken.’ Hij lachte: ‘Wie weet ga ik ook wel zingen.´ Zo namen ze afscheid. Hij draaide zich nog even om: ‘Groet tante Carmen van mij!’
p { margin-bottom: 0.21cm; } De Witte Bizons Maar hij kon nog niet gaan. Om te beginnen werd het water dat hij over moest steken afgesloten. Het briesje dat zijn onrust had opgepakt was harder gaan waaien en werd alsmaar verder opgevoerd, het brak door de linies heen tot storm. Deze nam het grote water in bezit en veegde alles wat wilde zwemmen of varen de stranden op en de havens in. Rode vlaggen overal. Thuisblijven! Het dode tij was in zijn tegendeel verkeerd: ´Les extrèmes se touchent´ en de consequentie was: wachten… Windvlagen beukten tegen de dunne wanden van het vakantiehuisje, een losgewaaid stuk regenpijp rammelde met iedere windstoot mee. Daniël werd wakker van het lawaai. Storm! Hij trok een trui aan en ging naar buiten om de regenpijp vast te maken, de deur werd met een klap uit zijn handen gerukt: ‘Weg! Binnen blijven jij!’ ‘Gótver.’ Hij schrok van het geweld maar ging toch naar buiten. Het losse stuk pijp kon niet meer op zijn plaats worden gezet, met één ruk trok hij het van de wand. De wind floot, dat doet hij altijd boven een zekere snelheid en die was bereikt. De boomkruinen ruisten heftig en gebaarden, zwaaiden met hun duizend armen, Shiva was ook weer gekomen, misschien was hij het die op de fluit speelde. De sikkel van de maan stond buitengewoon helder en vlijmscherp de aandacht te trekken, klaar om overbodige takken en loten te snoeien. Daniël keek, de natuur was in beweging gekomen, er was iets op handen. Of nee, het was al gaande. En de wind kwam uit het noordwesten, de plaats waar hij heen zou gaan. Maar hij zou moeten wachten. Geen boot zou niet uitvaren met dit weer. Maar dat was niet alles. In een ander continent was ook een en ander gaande. Het was geen storm maar een andere samenscholing van kracht en geweld. Een gemaskerde en duistere samenscholing en deze had het gemunt op een eenzame reiziger, een vrouw. Hulp was noodzakelijk. Het Verbond vroeg om aandacht, het liet de bomen gebaren: ‘Hiérheen!’ het liet de wind fluiten: ‘Luister!’ het liet de maan stralen: ‘Attention, Votre-Dame!’ Wie de maan ziet ziet de maan, of hijzij nou in Frankrijk staat of in Zuid-Amerika, het is dezelfde maan, zij kaatst de blikken die op haar worden geworpen terug, over en weer: een moment van overdracht. Morgen zou hij naar de rotsen gaan… Halverwege de ochtend reed hij erheen. Hij moest het portier tegenhouden wilde het niet uit zijn voegen waaien. Hij sloot de auto af en liep met zijn handen diep in de zakken van zijn jack naar het strand dat aan één kant overging in hoge en grillige rotsen. Een paar mensen stonden al te kijken bij de parkeerplaats, torsend tegen de wind die schuin uit zee kwam. Daniël liep meteen door naar de rotsen en klom omhoog. Hij zette zich schrap tegen de windvlagen die hem belaagden, hem tegenhielden en bij de kraag van zijn jack vastgrepen alsof hij zich eerst moest legitimeren: ‘Uw naam meneer en paspoort alstublieft! Wat komt u hier doen?’ Maar Daniël rukte zich los, hij wilde op die rots. Hij kon het niet laten een luide kreet te slaken, een kreet zoals de meeuwen doen, die zich nu ook niet lieten zien. Hij zag ze verderop laag over de grond scheren. Mens en dier gehoorzaamden aan de storm en het opzwiepende water dat oprukte naar de kust. Hij klom zo hoog mogelijk, hij werd tegen de steenmassa gedrukt, linke boel, gevaarlijk zelfs, maar hij wilde op de rots, hij móest op de rots. Hij ging zitten en keek. De golven waren enorm. Ze waren verschrikkelijk. Ver uit de kust rezen ze al op uit het water en spatten met veel wit schuim weer neer: als een kudde Witte Bizons op weg naar de kust, met grote snelheid. Het was een buitengewoon heldere dag. Geen wolk hield lang stand bij zo´n storm, alles werd uit of in elkaar geblazen. De wind heerste over het water, de lucht en het land erachter. De wind was zelf lucht, dacht Daniël. Kun je naar de wind kijken? Hij vond van wel. Hij vond tegenwoordig heel vaak van wel waar hij vroeger van niet had gevonden. En zo zat hij op de rots en keek naar de machtige golven die kwamen aangerold en aangedenderd. Hij keek naar de kudde Witte Bizons, over elkaar heen bollend en rollend om uiteindelijk tot staan gebracht te worden door de onverbiddelijke rotsen die hen géén toestemming gaven aan land te komen. Hij keek naar dat grote mysterie voor hem. Het blauw en het groen van de oceaan tezamengebracht tot een prachtig doorschijnend turqoise als het water als een muur uit de zee oprees en het licht van de zon er doorheen scheen. Het stralende wit van de branding deed de kleuren des te sterker uitkomen. Zoveel schoonheid. Zoveel kracht. Zo´oneindige wereld daaronder nog verscholen, waar hij zo vaak een blik in had geworpen tijdens het snorkelen. Hij zag de golven, maar meer nog zag hij de Witte Bizons, immens en brullend als ze te pletter sloegen tegen de rotsen die hen sinds het begin van alle geschiedenis al tegenhielden. Boven de rotsen hing een lichte damp, een nevel, lucht verzadigd van water, verzadigd van de Witte Bizons die hier hun tocht eindigden en hun ziel vrijlieten. De zon drong door de nevel en maakte regenbogen, een waaier van stralende transparante kleuren. Daniël was sprakeloos. Nog nooit had hij zo een schouwspel gezien - kwam het door een toevallig samenvallen van licht en waterdamp? Door de ontzettende kracht waarmee het water op de rotsen beukte en deze nevels maakte? Steeds verscheen een regenboog, lichtte op en verdween dan weer. Tot de volgende Bizon de sprong waagde en in kleuren opging. ‘Odette,’ prevelde hij, ‘ik aanschouw een wonder. Ik wilde dat je naast me zat en het kon zien. Hoe kan ik je dit ooit vertellen? Zoveel schoonheid, zoveel kracht. Gevaarlijk veel kracht. Ik heb iets voor je, een sieraad, voor om je hals.’ Hij sloot zijn hand even om de steen. ‘Hij zal je ook beschermen en wie weet, omdat ik heb besloten dat ik hem aan jou geef, beschermt hij je nu al. Nu al...’ Nu al? Waarom dacht hij dat? Was ze soms in gevaar! Een ongerust gevoel trok samen bij zijn navel. Ze hadden eigenlijk helemaal niet over mogelijke gevaren gesproken, ook niet over gedragsregels, ze hádden juist geen regels maar dat betekende natuurlijk niet dat ze geen oog zouden hebben voor gevaar of risico’s zouden nemen. Stel, ze was alleen op pad gegaan. Ze was een vrijgevochten type, helemaal niet denkbeeldig dat ze dat zou doen. Zou ze zich wel realiseren dat Zuid-Amerika iets anders is dan Europa? Ze zou toch wel op zijn minst een gids meenemen of zich aansluiten bij een groep als ze de Andes in zou willen trekken? God, waren ze niet een een beetje naïef geweest met hun Reglement? Ze hadden op zijn minst dit soort zaken moeten bespreken. Maar dat hadden ze niet gedaan en nu… Hij rook de oceaan, zag het heftig bewegende grote water, hoorde het donderende geraas van de branding. Gewelddadig, gevaarlijk water was het en tegelijk van een oogverblindende schoonheid. Hij probeerde zich te laven aan de atmosfeer. Hij moest gewoon wat meer vertrouwen hebben in wat ze in gang hadden gezet en in haar. En in de steen. Maar het ongeruste gevoel bleef knagen… Hij stond op, zijn benen stijf van de ongemakkelijke houding en optrekkende kou. Maar hij werd onmiddellijk weer teruggesmeten tegen de rots. ‘Gódverdomme!’ Hij schrok. Vertrok zijn gezicht, hij was met zijn heup tegen het gesteente gesmakt. Hij bleef even zitten, de pijn verbijtend, wreef over het bot. Hij keek naar beneden, hij was veel te ver omhoog geklommen zag hij nu pas! Had hij zich nu zo verkeken op de situatie? Hij was toch wel vaker met storm op de rotsen geklommen. In zijn enthousiasme en de wind in de rug was hij zo boven geweest maar nu… ‘Gódver,’ riep hij weer, ‘hoe kom ik weer beneden.’ Voorzichtig kwam hij overeind, maar een paar onzichtbare handen duwden hem ruw weer terug. ‘Nee nee, dat gaat zomaar niet. Je moest zo nodig hierheen, de gevarenzone in. We hebben je paspoort, je kunt nergens heen zonder onze toestemming. Ga maar weer terug. En dan zullen wij eens overwegen wat we met je gaan doen. Misschien lever je nog wat op.’ Hij probeerde het opnieuw. Steun zoekend bij de rots ging hij staan, maar de wind gaf hem een zet. Hij wankelde. Nee, dat ging zo niet. Was de storm dan erger geworden? Het zweet brak hem uit, hij kon niet terug! Het gebulder van de branding begon op zijn zenuwen te werken, de golven kwamen hoger en verder dan daarnet: zeker was de storm heviger geworden. Hij had nooit de rotsen op mogen gaan! Hij dacht koortsachtig na: ik moet hier zo snel mogelijk weg, maar hoe. Staan was niet meer mogelijk, misschien liggend op mijn buik. Hij draaide zich om, liet zich voorzichtig zakken, zijn armen opzij, steun zoekend bij een uitstekel of spleet in het gesteente waar hij tegenaan werd gedrukt. ‘Oké, de wind duwt mij terug als ik ga staan, maar houdt me vast als ik ga liggen.’ Hij steunde, ‘Alles gaat tegenwoordig andersom. Zo moet het lukken.’ Langzaam liet hij zich zakken, meter voor meter, het oppervlak was ruw en ongelijk, puntig soms en priemend door zijn kleren, zijn lijf, hij voelde de spetters van de golven, o god, als ik val… ik val niet! Hij kroop als een slang naar beneden. Ieder stukje van zijn lichaam raakte de rots, de wind duwde hem er tegenaan en belette hem op te staan, maar droeg hem tegelijk naar beneden. Twee bewegingen inéén… Voorzichtig liet hij verder naar beneden zakken en sprong de laatste meter het strand op. Bezweet en hier en daar gekneusd. Zand stoof in zijn ogen, er zat een scheur in zijn jack door de scherpe rotspunten, een vinger bloedde: de schade van een verkeerd inschatten van de elementen. ‘Idioot,’ riep hij. Het kabaal van de wind en de branding overstemde alle andere geluid, ‘idioot,’ schreeuwde hij. Zijn ongerustheid en angst moesten er even uit: ‘Dwaas!’ Had de chakana hem beschermd soms? Een steen tegen een steen? Herkend als verwanten, samen opboksend tegen het geweld dat uit het niets tevoorschijn was gekomen en ook weer in het niets zou verdwijnen. Hij keek omhoog, zag de plek waar hij had gezeten. Was hij gek geweest? Moet je zien! Maar als hij niet naar boven was geklommen, had hij de Witte Bizons niet gezien… De steen was voor Odette. Hij was ongerust geweest over haar, daarna was hij zelf in gevaar geraakt, maar nu kwam het gevoel des te sterker terug. Hij wreef in zijn tranende ogen in een poging het zand eruit te krijgen, wist dat hij dat moest doen door te knipperen maar hij was ongeduldig, onrustig. Hij keek naar de grond, zag slierten fijn zand als schaduwen onder hem doorschieten, het leek wel of hij vloog. Niet het zand schoot onder hem door, hij vloog eroverheen! Met een enorme snelheid, het waren wolken en daaronder lagen de landen. Odette. Hij moest iets doen, iets tegenhouden, iets voorkomen, helpen. Hij leunde voorover tegen de storm, spreidde zijn armen: ‘Ik ben sneller dan de wind, ik vlieg. Ik ben de condor!’ Hij slaakte een kreet: ‘Haaaayahhhh!!’ Hij had zo’n fantasie altijd, zo’n grenzeloze verbeelding en hij kon er zo helemaal in opgaan tegenwoordig. Hij wás gewoon de condor, hij vlóóg ook over de Andes. ‘Odette! Hier is de chakana. Pak hem, hij is voor jou. De steen beschermt je. Pak hem dan!’ Hij strekte zijn hand uit naar de stralend verlichte golven, als wilde hij over de oceaan heen reiken naar het continent waar zij nu was. ‘Hier, Odette! Hiér!’ riep hij, zijn stem nietig in het gebulder van de storm. Maar wie weet nam deze de woorden in zich op, blies hij ze op tot enorme proporties en droeg hij ze verder. De wind komt overal… Hij liet zijn armen zakken, de wolken werden weer zand en hij weer Daniël. Hij sloot even zijn ogen, zag Odette voor zich, haar levendige groene ogen, die vastberaden trek op haar gezicht, haar vitaliteit en het maakte dat er een glimlach over zijn gezicht trok. Hij had de steen aan haar gegeven… Hij zou haar beschermen. Hij liep terug naar zijn auto. Er was werk aan de winkel! Hij moest zijn overtocht in orde maken.
p { margin-bottom: 0.21cm; } Het Labyrint Hij keek op zijn horloge. Drie uur. Over een uur zou hij in Parijs zijn. De trein vloog over de rails, ze haalden de auto´s naast hen op de weg met gemak in. In Parijs zou hij de metro nemen naar Montparnasse en van daaruit de trein naar Chartres. Hij pakte het gidsje waarin hij had zitten lezen over de kathedraal waar het kleine stadje zijn faam aan te danken had. Hij bladerde er doorheen en stopte bij de afbeelding van het labyrint. Hij keek lang naar de figuur die hij eerder had bestudeerd aan de bar van het Centrum waarna hij die stem had gehoord: ‘Vanuit het midden kun je overal komen.’ Welk midden? Het m8dden? Hoe kon je weten om welke variant het ging? Hij had met de achterkant van zijn pen het pad gevolgd zoals hij dat morgen te voet zou doen. Hij verwonderde zich over zoveel vernuft in een ogenschijnlijk eenvoudig patroon. Zonder die verbinding met het midden zou het een doolhof zijn... Ik ben vlakbij het land van mijn voorouders, dacht hij, Ierland. Zou het soms de bedoeling zijn dat ik daarheen ga? Ik weet nauwelijks iets van die achtergrond van mijn familie. Hij was al meer in de richting van hun land gekomen. Maar eerst wachtte hem het Labyrint en wat daarna kwam was onbekend. Het was maar vier uur met de trein vanuit Amsterdam naar Parijs en daarna nog een uur naar Chartres. Hij zou om te beginnen een paar dagen wegblijven. Hij had een sporttas gekocht, een witte met in zwarte letters PUMA. Misschien dat de kracht en snelheid van dit dier zijn plannen vaart zou geven. Hij legde het gidsje weg en leunde tevreden achterover in de stoel, sloot zijn ogen. Hij raasde met een vaart van meer dan tweehonderd kilometer per uur door Frankrijk terwijl hij alleen maar een zacht deinen voelde, twee snelheden inéén... Aan het eind van de middag reden ze het station van Chartres binnen. Stijf van de lange treinrit rekte hij zich uit, knikte even naar een paar medereizigers, pakte zijn tas en stapte het perron op. Een warme bedwelmende geur van bloeiend koolzaad kwam hem tegemoet, hij snoof ‘mmmm’. Hij had de velden al gezien vanuit de trein. Het leken meertjes van gesmolten goud, helder en licht temidden van het glooiend landschap. Zijn hotel lag vlakbij het station. En vlakbij de kathedraal die is gebouwd op een heuvel, waardoor je deze direct ziet als je het station uitloopt: een landmerk. De twee torenspitsen steken overal bovenuit en maken dat je de Notre-Dame altijd kunt vinden. Chartres is een klein stadje. Buiten het vakantieseizoen is het ook een stil stadje. Maar nu waren de straten bevolkt met toeristen en pelgrims, op weg naar het labyrint of op doorreis, sommigen tot diep in Spanje, naar Santiago de Compostella. Alleen, samen of in kleine groepjes, soms maanden onderweg met één van de bedevaartsplaatsen als einddoel maar in feite waren zij zelf het einddoel, iets wat men gaandeweg ontdekt, vijfhonderd mijl van huis, tien kilo lichter en vele ervaringen rijker. Zij liepen zichzelf… Morgenvroeg, nog voor de deuren opengingen zou hij naar de kathedraal gaan. Ochtend Om acht uur liep hij het plein op. Er stond al een rij. Nu al? Zoveel mensen, zo druk? Daar had hij helemaal niet op gerekend. Hij had gedacht de eerste te zijn, de enige misschien zelfs. Was hij nu zo naïef? Hij voegde zich in de rij en stelde zich in op wachten… Het gebouw rees voor hem op, machtig en imposant: steengeworden wiskunde. Een genie van maatvoering en toepassing van meetkundige oergedaanten, driehoek, vierkant, cirkel, software uit de middeleeuwen. Het leek een profane gedachte, dit meesterlijke en voor velen heilige gebouw zo te benoemen maar hij dacht gewoon zo, het was zijn natuur. Kon het ook andersom? Zou je een programma kunnen ontwerpen met zo’n signatuur? Een digitale kathedraal voor de computer. Een diepe frons verscheen. De vraag was dan: waar zou het voor moeten dienen. De kathedraal diende als bewaarplaats van het goddelijk vrouwelijke had hij gelezen in de folder. Van oudsher was het een plek geweest waar de moedergodin werd vereerd: Vrouw met kind. Een plaats ook waar druïden bijeen waren gekomen en waar volgens de overlevering een relikwie werd bewaard, een sluier van de maagd Maria die, zoals te doen gebruikelijk, voor een reeks wonderen had gezorgd. Laag op laag op laag hadden de mysteriën zich een gedaante aangemeten op deze plek, was er een Huis omheen gebouwd, zoals om het labyrint waarvoor hij was gekomen. En voor nog iets anders, hij wist alleen niet wat. Een half uur later werden de deuren geopend, de rij kwam in beweging. Langzaam schoof hij op, kwam bij de trappen, de deuren, het voorportaal, de hal, alles in slow motion, haast en ongeduld moesten eerst worden afgelegd zo leek het, nog een klein stukje en… Voor het eerst van zijn leven betrad hij een kathedraal. Een gebouw voltooid aan het begin van de dertiende eeuw, bijna achthonderd jaar oud! Hij keek om zich heen, naar boven, weer om zich heen. Als men zou kunnen zeggen dat een interieur zich om iemand heen vleit, dan was dat nu het geval. Het vervulde hem met ontzag. Het licht… Er was iets met het licht. Het viel binnen door gebrandschilderde ramen, tientallen en tientallen, overal waren ze, een hemels palet van kleur. En iedere dag, iedere morgen zodra het licht erdoor viel kwamen ze tot leven, de figuren en personages en veranderden de voorstellingen in een tableau vivant, wat meer is dan een gebrandschilderd raam: de beker werd geheven, het kind werd opgetild en de wijn werd geschonken bij het laatste avondmaal, iedere dag weer werd de wijn geschonken en maakte het laatste avondmaal eeuwigdurend. God wat mooi… Het eerste licht valt binnen, de dag begint het licht valt het valt en het valt het valt op de bomen, de bloemen en de velden het valt door de Vensters en projecteert beelden van ver het valt op het water en maakt dit tot een onbreekbare fonkelende bokaal het valt op de krekels waardoor deze gaan snerpen het valt op de vogels waardoor deze gaan zingen- of nee… de vogels zingen altijd zij zingen voor de Dageraad, ook als het regent het licht valt op de pelgrim waardoor deze het pad kan zien H e t L i c h t v a l t o p i e d e r e e n Maar men is dit over het algemeen vergeten… Hoe gesloten het gebouw ook had geleken vanaf de buitenkant, een massieve steenmassa, zo licht en transparant was het binnen. Het was een andere wereld, maar dat weet je pas als je de deuren door gaat: ‘soyez les bienvenues.’ Maar hij werd er niet rustig van. Integendeel. Hij voelde zich nerveus worden nu hij zich zo dicht bij die magische cirkel bevond. Of kwam het door het licht? Tegen de tijd dat hij bij het labyrint was, schuifelend in de rij, liepen er al minstens dertig mensen in rond en voegden zich er nog meer bij, één voor één- nog even en men liep vlak achter elkaar, in file. De meesten liepen op sokken en sommigen op blote voeten. Schoenen lagen her en der verspreid, jassen en rugzakken op de banken. Zijn stemming sloeg om. Hij had er helemaal niet op gerekend dat het zo druk zou zijn, het ontmoedigde hem. Hij keek naar het ontwerp in de vloer dat daar al acht eeuwen lag. De doorsnee was twaalf meter en zevenentachtig centimeter had hij gelezen in de folder en binnen die omtrek slingerde zich een pad van tweehonderdéénenzestig en een halve meter. Een pad dat nergens heen ging dan naar zijn eigen middelpunt… Was dat niet precies waar hij voor was gekomen? Maar niet nu! Te veel, te druk. Wat gebeurde er nou met hem? Waarom kon hij ineens niet tegen al die mensen? Of was hij bevreesd om weer in die draaikolk terecht te komen zoals voor een moment was gebeurd toen hij alleen nog maar die kaart in zijn handen had gehad. Stel dat zoiets hier weer zou gebeuren, honderd keer uitvergroot! Hij besefte dat dat nu juist de reden was dat hij hierheen was gekomen, maar nu hij vlak voor het indrukwekkende labyrint stond en er zo in kon stappen, week hij terug. Waar zou hij in terech komen. Het zweet brak hem uit. Hij wilde weg! Hij liep het gebouw weer uit, haastig, ongeduldig, de mensen achter hem keken hem verbaasd na. Hij liep het plein op, ahh buiten, hij haalde diep adem... Was het de drukte die hem naar buiten had gedreven of was het iets anders? Hij deinsde terug voor iets. Voortdurend werd hij voor raadsels geplaatst waar het hemzelf betrof de laatste tijd. Misschien moest hij zichzelf opnieuw definiëren. Alles was anders sinds die ochtend dat Thomas zo vroeg bij hem was binnengevallen en hij zich had gesneden bij het scheren. En de ontmoeting met Odette had dat vervolgens in een stroomversnelling gezet: zij had zijn fantasie over de bonus van tijd direct opgepakt inplaats van hem uit te lachen en het te relativeren. Het was daarentegen een serieus en absoluut gegeven geworden. Odette zat in Zuid-Amerika en hij werd hier geconfronteerd met het culturele verleden van zijn familie, zijn stamboom, van hemzelf... Een tot op heden onzichtbaar en onbekend verleden dat hier op één of andere manier tot leven aan het komen was, aangeraakt wellicht door het oude gesteente van de kathedraal, wie weet wat zo’n antiek gebouw met je doet! Er was iets in beweging gebracht. Het kwam niet door Thomas, ook niet door het uitschieten van zijn scheermes, het zat veel dieper en dat labyrint… dat kon daar wel eens komen, vermoedde hij. Hij begon om de kathedraal heen te lopen die nu weer een massieve steenmassa was. Om rustig te worden. Achthonderd jaar… Dit is een oud land, ik woon in een jong land. Dat wil zeggen, mijn land is ook oud want er woonden al mensen toen de nieuwe bewoners voet aan wal zetten, maar ik weet niets van die cultuur. Het zijn niet mijn voorvaderen. ‘Hoe Australisch ben jij eigenlijk?’ Odette had hem zo raak getypeerd, ook met David… En nu stond hij oog in oog met de oude en authentieke cultuur van zijn eigen voorvaderen. Het verwarde hem, het klopte niet meer. Hij was het één noch het ander… Peinzend liep hij langs de gevels, nissen en portalen van de kathedraal. En wat is trouwens het verschil tussen een kerk en een kathedraal? Zoiets als tussen een zee en een oceaan? Het was méér dan alleen de afmetingen... Het was de geometrie. Zijn passie. Hij keek omhoog, langs de torenspitsen, die de zachtblauwe ochtendlucht in priemden als antennes. Antennes voor wat? Het gebouw begon hem steeds meer te fascineren, wonderlijke gedachten en associaties kwamen boven. Eigenlijk veel beter om eerst deze omtrek te lopen en kennis te maken met het gebouw zelf, voordat ik me in die andere constructie in het platte vlak begeef, dacht hij. Eerst buiten, dan binnen. Hij gleed met zijn handen langs de muren terwijl hij er langs liep, voelde de stenen, de eeuwen... Hij keek lang naar de beelden, gissend naar hun betekenis, hun identiteit. Ongetwijfeld een hele stoet heiligen, dacht hij, die hun ziel in steen hadden achtergelaten. Hij maakte een rondgang langs het enorme gebouw. Hij werd er stil van. En rustig. Een opmaat voor de rondgang die binnen op hem wachtte. Hij moest zich nu niet langer laten afleiden door het omhulsel. Hij was gekomen voor dat mysterieuze in-gewikkelde pad: tweehonderdéénenzestig en een halve meter, samengevat in een cirkel. Misschien zou het degene die het betrad ook wel samenvatten, tot de essentie, de essentie van hemzelf. Is hij zover? Middag Voor de tweede keer gaat hij de trappen op, de deuren door, het voorportaal en de hal en betreedt de kathedraal. Het is er nagenoeg leeg. Misschien was het een groepsexcursie waar hij vanmorgen in was beland. Intussen is het middag, men is lunchen… Hij gaat naar één van de banken en doet zijn schoenen uit. Hij zou er zelf niet opgekomen zijn maar iedereen doet het, bij meester K’An ook. Opnieuw voelt hij onrust opkomen maar hij duwt het opzij, zoals hij de jongens opzij had geduwd bij dat opstootje: ‘Laat me erdoor! Houd me niet langer tegen! Opzij, opzij.’ Hij loopt naar het begin van het labyrint waar de stenen figuur de bezoeker opneemt en door zijn geheimen loodst. Een tweedimensionaal ontwerp in het platte vlak. Maar misschien is dat schijn. Hij doet een stap en nog één, gaat de eerste bocht om: hij is er… Voetje voor voetje beweegt hij zich over het lint, laat zich meevoeren, voelt de steen door zijn sokken heen, draait mee met de bochten en keerpunten, heen-draai-terug, heen-draai-terug, heen… Hij kijkt naar beneden, zijn voeten volgen de vorm, hij probeert precies binnen de lijnen te blijven, langzaam, heel langzaam en traag. Soms blijft hij even staan, dat gebeurt vanzelf, alsof hij moet wachten op iemand voor hem maar er loopt niemand voor hem, toch moet hij wachten... Hij voelt een lichte duizeling, alsof de draaiingen van de figuur in hem overgaan, hij haalt diep adem loopt weer door, langzaam, zo langzaamhad hij nog niet eerder gelopen in zijn leven het was net iets meer dan stilstaan het is geen lopen meer, het is gestolde beweging, tot staan gebracht leven om te overdenken, te beschouwen op weg naar het midden-van-het-midden. Hij staat stil, het is het labyrint dat beweegt onder zijn voeten door, het draait zijn slingers om zijn gestalte, het draait, de kathedraal draait, de aarde, alles draait behalve hij: hij is stilgezet. Hij beschouwt het leven, hij wordt zelf beschouwd, de grens tussen zijn twee hersenhelften wordt voor een moment opgeheven, in het labyrint is geen links en rechts, de bogen en rondingen verbinden alles met alles en zijn getrainde en getalenteerde ratio komt samen met zijn verbeelding die ook al goed ontwikkeld is, maar niet zo serieus genomen als de andere helft. Het is meer spelen, fantaseren… het labyrint kent echter geen scheiding van het één en het ander, het kent alleen het geheel zoals het zelf een geheel is en bouwt een brug voor hem over de kloof waar dingen in zijn gevallen in de loop der tijd - onbereikbaar. Het labyrint bouwt een brug over de kloof waar mensen en gebeurtenissen in zijn gevallen in de loop der eeuwen - vergeten, vergeten… Dat moet ook, er moet vergeten worden, anders kan men zich niet Herinneren. En Herinneren is niet hetzelfde als al-tijd alles onthouden. De oorspronkelijke bewoners van zijn land zongen zich een weg door de woestijn, door de leegte, de oneindigheid. Hij had er nooit bij stilgestaan wat daar eigenlijk werd beweerd maar nu staat hij stil en denkt erover na… Hoe kan zoiets? En hoezo dan dat zingen? Wie weet zagen ze wel een pad in de lucht en volgen ze dat, net als trekvogels, telenavigatie… Zijn oor begint te suizen, even is er besef van plaats en tijd, hij knippert met zijn ogen, kijkt op, hoort hij nu gezang? Maar hij gaat verder, laat zich niet afleiden, hij laat zich lopen door het labyrint, iedere centimeter van het pad raakt zijn voeten aan, het draagt hem door zijnhaar lussen en bogen, hij voelt het door zijn sokken, het is de aarde, de aarde opent zich en hij spiraalt naar beneden, duizeling-duizeling, rond-rond-rond, waarheen…? Vanuit het midden kun je overal komen. Is hij nu bang? Nee, niet meer. Zijn stille rondgang langs de portalen en nissen in de ochtenduren hebben hem voorbereid op deze pelgrimstocht. Hij heeft de cultuur en de tijd van zijn voorvaderen aangeraakt ook al woonden die in Ierland en dit is Frankrijk, maar de grenzen tussen de landen zijn eveneens opgeheven, het is één Continent. Intussen heeft zich een groepje mensen verzameld rond een piano achterin de kerk, een vrouwenkoor. Zij beginnen een lied, hun stemmen wervelen omhoog en raken de vensters aan, de kleuren en de personages, zij zingen over hen: ‘Hoor! De Notre-Dame zingt! Zij zingt zestien vrouwen en een pianist.’ De man in het labyrint kijkt even op, het lied voegt zich bij zijn gedachten die los zijn gekomen uit hun groef, uit hun keurslijf van links en rechts, hij zingt zich een weg door de cirkel zoals de Ouden van zijn nieuwe land doen als ze reizen door de woestijn. Als men in rondjes loopt is men over het algemeen verdwaald, dan is men aan het dolen, maar deze cirkel heeft een middelpunt en dat is waar je uitkomt, al-tijd. Hij komt bij de brug over de kloof waarin dingen zijn gevallen en als verloren moeten worden beschouwd maar het is niet verloren, dat lijkt maar zo. De brug is smal, er hangt alleen een dun koord aan weerszijden, hij zwiept over de ravijnen. Durft hij over de koorden heen de diepte in te kijken? Waar moet hij zich aan vasthouden? Hij heeft geen houvast meer. Het gezag van zijn ratio, die heer en meester over zijn werkelijkheid laat het afweten, het heeft zich teruggetrokken bij het zien van zoveel beelden, van dat enorme tableau vivant: waar komt dat ineens vandaan? De kleuren zijn overweldigend, de personages indrukwekkend en zij scharen zich om hem heen, zij zijn niet te verklaren, niet te duiden: zij zijn er… De brug zwiept, de diepte aan weerskanten is peilloos. Even, heel even kijkt hij opzij in de kloof, ‘Ik heb nu de kans, ik wil het weten, waarom ik hier ben!’ Hij is duizelig, er zijn steken in zijn hoofd, was hij niet onlangs neergeslagen? Of heeft hij dat gedroomd, maar zijn hoofd doet pijn… ‘Ik wil het weten, maar als ik val… in dat ravijn.’ Was hij niet onlangs gevallen? Zijn hoofd steekt, voorzichtig voorzichtig, maar hij wil kijken, de kloof trekt aan hem er is daar iets! Iemand! Hij kan er nú bij, daarna niet meer, misschien is dit zijn enige kans om het terug te halen, ‘Je kunt maar even hier zijn, voldoende om je te herinneren.’ ‘Er is nog zoveel te doen…’ ‘De Attributen worden uit het zicht gehouden.’ Het zijn woorden! Er zijn daar woorden in de kloof en vormen, prachtige geometrische figuren in kleur, geometrische kleuren! ‘Dat is de weerschijn van de vensters,’ roept zijn ratio vanuit de coulissen. ‘Néé, nietwaar! Er zijn daar wiskundige kleuren, er zijn daar woorden, zij zijn daar.’ Hij rekt zich uit, de brug zwiept, ‘Héedaar’, het galmt het gaat ver ver de diepte in, komt terug, ‘het is tijd, de hoogste tijd,’ ‘Ik ben heel lang weggeweest… zal het óóit terugkeren?’ ‘Het was nooit weg…’ Wát was nooit weg! Hij moet het nú weten: ‘Wát Was Nooit Weg?!’ Hij buigt zich verder over het koord, hij wankelt, zijn ene voet gaat iets over de lijn en hij wil absoluut binnen de lijnen blijven, die dragen hem anders valt hij en als hij valt is alles verloren, hij mag niet vallen! Hij herstelt zich, zoekt zijn evenwicht, weg nu, weg bij die kloof, het labyrint draait zich verder onder zijn voeten door, het draagt hem inmiddels over de buitenkant, langs een halve cirkel, de opeenvolging van draaiingen en keerpunten heeft hij achter zich, hij is de brug over, nog een klein stukje rechtdoor, een lus dan weer rechtdoor en daar… Hij staat stil. Het lijkt alsof er een vijver voor hem ligt waar hij in zal vallen, alweer, alsnog... Een meertje van gesmolten goud - had hij dat niet onlangs nog gezien? Bedwelmend, hij aarzelt, duizelig en totaal gedesoriënteerd in dit enorme bouwwerk dat zich verheft voorbij de vensters, koepels en torenspitsen en tegelijk de aarde in spiraalt waar nog oudere bouwwerken liggen, aan het oog onttrokken maar daarom zijn ze er nog wel. Een oudere cultuur ook, maar aan hetzelfde toegewijd: Vrouw met kind. Hij is aan het eind gekomen van een tocht van duizend mijl en duizend jaar, nog één stap en hij is daar, in het geometrische en ook absolute midden van het labyrint. Hij doet een stap: ‘Ik zal niet vallen… Ik blijf hier!’ nog een tweede stap: hij staat in het midden. In het midden van het labyrint is het stil. Daniël staat op het rozet en ondergaat de stilte. Het bouwwerk is verdwenen, het labyrint is tot stilstand gekomen, de kathedraal ook en de aarde, alles is stil, hier, in het midden. Avond Hij opent zijn ogen, knippert, zijn voeten zijn ijskoud, één oor suist, hij staat alleen in het midden van een stenen cirkel, het is stil. Langzaam keert hij terug naar waar hij is. Is hij dan niet hier? Ik zal niet vallen, ik blijf hier… Wie zegt dat? Hij kijkt om zich heen, er is niemand. Hij ziet het monument om hem heen liggen, hij ziet de kathedraal, het begint te dagen, hij heeft tijd nodig… Moet hij er nu langs dezelfde weg weer uit? Nee. Hij loopt dwars door de cirkel terug naar de plek waar hij zijn schoenen en jas heeft achtergelaten. Hij gaat zitten, voorover gebogen met een arm leunend op zijn knieën, wrijft over zijn ogen. Hij is moe. Verschrikkelijk moe ineens. Het lijkt alsof hij de Pyreneeën is overgestoken en in zekere zin is dat ook zo. Hij keek naast zich, hij was kennelijk toch niet de laatst en enige aanwezige hier. Er zat een man op dezelfde bank die hem gadesloeg. Hun ogen ontmoetten elkaar even, ze wisselden een korte groet. Daniël bleef hem echter aankijken: wat een ongewone figuur. Hij zag een rijzige man, middelbare leeftijd met donker haar in een staart bijeen gebonden. Een vriendelijk gezicht, donkere ogen en een doordringende blik. Naast hem op de grond stond een ronde drum met een gekleurd koord eraan. Ondanks zijn verwarde toestand en de moeite die het hem kostte te zijn waar hij was, werd zijn aandacht naar deze man getrokken die hem toeknikte: ´Voor het eerst hier?´ vroeg hij. ´Ja,´ antwoordde Daniël en staarde de man aan. Wie was dit... ´Ik vind het nogal indrukwekkend allemaal.’ ´Is het ook. Het Labyrint is een echte krachtplek.’ ‘Krachtplek? Ik had geen idee toen ik erin stapte… Geen idée.’ Hij wreef weer even over zijn ogen, ‘Ik heb het nog niet helder, ik weet ook eigenlijk niet wat er allemaal gebeurde. Een deel ben ik alweer kwijt, een draaikolk was het, ik werd er gewoon in meegezogen…’ ´Dat kan. Het Labyrint ligt precies op een leylijn,´ zei de man. ´Wel eens van gehoord?´ Daniël haalde zijn schouders op, ‘Ik heb het gevoeld denk ik. Het leek wel een magneet…’ ´Wel, je zegt het.’ ‘Hoe kan men weten dat er zulke lijnen lopen door de aarde? Kun je ze soms zien?’ hij keek fronsend naar de man. ‘Zien, niet direct nee, hoewel… De natuur laat het soms zien. Maar je kunt het voelen. Het zijn energielijnen die door de aarde lopen en onderling met elkaar verbonden zijn. Als je contact maakt met zo’n lijn kan het gebeuren dat je je heel ergens anders waant. En in zekere zin… Wel, in zekere zin ben je dan ook ergens anders.’ Daniël keek op: ‘Oh! Is dat zo? ik geloof… Ik geloof dat mij dat is overkomen. Nu u dat zo zegt, maar ik ben het alweer kwijt, waar ik dan was. Dat vind ik zo vreemd. En dat gebeurt me nu steeds,’ mompelde hij er achteraan. Hij probeerde zijn ervaring terug te halen maar het was al aan het vervagen, zoals een droom. Hij had iemand horen spreken, misschien mensen die voor of achter hem liepen? Hij had ook iets gezien, maar toen was het labyrint gaan draaien, hij was bijna gevallen. Hij had zelf ook iets geroepen, maar wat… Het was wéér verdwenen, steeds verdween het! Het ergerde hem. Wáárom kon hij het niet onthouden. Hij had een goed functionerend geheugen, dus hoezo ontglipte dit hem steeds. Dit… Hij wist niet eens wát! Het licht was de vensters aan het loslaten, de kleuren trokken zich terug, het was nu de avond die viel. Ze zwegen. Er was niemand meer in de kerk behalve zij en er heerste diepe rust. Hoog in de kerk vlogen een paar kleine vogeltjes, tjilpend, fladderend, de weg kwijt of juist gevonden, wie zal het zeggen. Misschien hadden ze hier hun nest gebouwd, in de nok en nissen van de Notre-Dame: Vogel met kind. Ze keken er beiden naar, volgden met hun blik de kleine diertjes en keken elkaar weer aan. Glimlachten. ´Als deze stenen cirkel op zo’n plek ligt als u zegt,’ zei Daniël peinzend, ‘en je ergens anders uitkomt als je eroverheen loopt, wel, dan is het niet alleen maar een cirkel maar een, laten we zeggen, eh… een poort. Een poort ergens heen. Nu ja, wat een onzin zeg ik nu. Laat ook maar.’ Hij boog zich voorover om zijn schoenen aan te trekken en zag daardoor niet dat de man even knikte en glimlachte. Daniël kwam weer overeind, stak zijn hand uit, ´Laat ik me eerst eens voorstellen. Daniël,’ zei hij. ´Peter,´ zei de man en sprak het uit als Pieter, zoals de Engelsen doen. ´Pieter hm? Dat is afgeleid van Petrus, de sleutelbewaarder,’ zei Daniël. ‘Dat ben ik net vanmorgen tegengekomen toen ik de kathedraal bestudeerde, wel wat een toeval. En heel toepasselijk voor een plek als deze.’ Hij stond op om zijn jasje aan te trekken en zag daardoor niet dat de man opnieuw knikte met een nog bredere glimlach. ´Kan ik u misschien een kop koffie aanbieden?´ vroeg Daniël toen hij zich weer naar hem toewendde. Hij wilde meer weten over die lijnen en over elders terechtkomen. ´Of wilt u liever nog even hier blijven?´ ´Nee nee. Ik denk trouwens dat de kerk zo gaat sluiten, het is bijna avond,’ zei Peter. ‘Avond!’ riep Daniël uit. ‘Maar dan ben ik uren in het labyrint geweest.’ Hij was even stil, ‘Hoe is dat nu mogelijk… Niets van gemerkt.’ ‘Dat gaat vaak zo, als je hier voor de eerste keer komt,’ zei Peter. ‘Kom, laten we gaan, voor ze de deuren sluiten.’
p { margin-bottom: 0.21cm; } De Witte Bizons Maar hij kon nog niet gaan. Om te beginnen werd het water dat hij over moest steken afgesloten. Het briesje dat zijn onrust had opgepakt was harder gaan waaien en werd alsmaar verder opgevoerd, het brak door de linies heen tot storm. Deze nam het grote water in bezit en veegde alles wat wilde zwemmen of varen de stranden op en de havens in. Rode vlaggen overal. Thuisblijven! Het dode tij was in zijn tegendeel verkeerd: ´Les extrèmes se touchent´ en de consequentie was: wachten… Windvlagen beukten tegen de dunne wanden van het vakantiehuisje, een losgewaaid stuk regenpijp rammelde met iedere windstoot mee. Daniël werd wakker van het lawaai. Storm! Hij trok een trui aan en ging naar buiten om de regenpijp vast te maken, de deur werd met een klap uit zijn handen gerukt: ‘Weg! Binnen blijven jij!’ ‘Gótver.’ Hij schrok van het geweld maar ging toch naar buiten. Het losse stuk pijp kon niet meer op zijn plaats worden gezet, met één ruk trok hij het van de wand. De wind floot, dat doet hij altijd boven een zekere snelheid en die was bereikt. De boomkruinen ruisten heftig en gebaarden, zwaaiden met hun duizend armen, Shiva was ook weer gekomen, misschien was hij het die op de fluit speelde. De sikkel van de maan stond buitengewoon helder en vlijmscherp de aandacht te trekken, klaar om overbodige takken en loten te snoeien. Daniël keek, de natuur was in beweging gekomen, er was iets op handen. Of nee, het was al gaande. En de wind kwam uit het noordwesten, de plaats waar hij heen zou gaan. Maar hij zou moeten wachten. Geen boot zou niet uitvaren met dit weer. Maar dat was niet alles. In een ander continent was ook een en ander gaande. Het was geen storm maar een andere samenscholing van kracht en geweld. Een gemaskerde en duistere samenscholing en deze had het gemunt op een eenzame reiziger, een vrouw. Hulp was noodzakelijk. Het Verbond vroeg om aandacht, het liet de bomen gebaren: ‘Hiérheen!’ het liet de wind fluiten: ‘Luister!’ het liet de maan stralen: ‘Attention, Votre-Dame!’ Wie de maan ziet ziet de maan, of hijzij nou in Frankrijk staat of in Zuid-Amerika, het is dezelfde maan, zij kaatst de blikken die op haar worden geworpen terug, over en weer: een moment van overdracht. Morgen zou hij naar de rotsen gaan… Halverwege de ochtend reed hij erheen. Hij moest het portier tegenhouden wilde het niet uit zijn voegen waaien. Hij sloot de auto af en liep met zijn handen diep in de zakken van zijn jack naar het strand dat aan één kant overging in hoge en grillige rotsen. Een paar mensen stonden al te kijken bij de parkeerplaats, torsend tegen de wind die schuin uit zee kwam. Daniël liep meteen door naar de rotsen en klom omhoog. Hij zette zich schrap tegen de windvlagen die hem belaagden, hem tegenhielden en bij de kraag van zijn jack vastgrepen alsof hij zich eerst moest legitimeren: ‘Uw naam meneer en paspoort alstublieft! Wat komt u hier doen?’ Maar Daniël rukte zich los, hij wilde op die rots. Hij kon het niet laten een luide kreet te slaken, een kreet zoals de meeuwen doen, die zich nu ook niet lieten zien. Hij zag ze verderop laag over de grond scheren. Mens en dier gehoorzaamden aan de storm en het opzwiepende water dat oprukte naar de kust. Hij klom zo hoog mogelijk, hij werd tegen de steenmassa gedrukt, linke boel, gevaarlijk zelfs, maar hij wilde op de rots, hij móest op de rots. Hij ging zitten en keek. De golven waren enorm. Ze waren verschrikkelijk. Ver uit de kust rezen ze al op uit het water en spatten met veel wit schuim weer neer: als een kudde Witte Bizons op weg naar de kust, met grote snelheid. Het was een buitengewoon heldere dag. Geen wolk hield lang stand bij zo´n storm, alles werd uit of in elkaar geblazen. De wind heerste over het water, de lucht en het land erachter. De wind was zelf lucht, dacht Daniël. Kun je naar de wind kijken? Hij vond van wel. Hij vond tegenwoordig heel vaak van wel waar hij vroeger van niet had gevonden. En zo zat hij op de rots en keek naar de machtige golven die kwamen aangerold en aangedenderd. Hij keek naar de kudde Witte Bizons, over elkaar heen bollend en rollend om uiteindelijk tot staan gebracht te worden door de onverbiddelijke rotsen die hen géén toestemming gaven aan land te komen. Hij keek naar dat grote mysterie voor hem. Het blauw en het groen van de oceaan tezamengebracht tot een prachtig doorschijnend turqoise als het water als een muur uit de zee oprees en het licht van de zon er doorheen scheen. Het stralende wit van de branding deed de kleuren des te sterker uitkomen. Zoveel schoonheid. Zoveel kracht. Zo´oneindige wereld daaronder nog verscholen, waar hij zo vaak een blik in had geworpen tijdens het snorkelen. Hij zag de golven, maar meer nog zag hij de Witte Bizons, immens en brullend als ze te pletter sloegen tegen de rotsen die hen sinds het begin van alle geschiedenis al tegenhielden. Boven de rotsen hing een lichte damp, een nevel, lucht verzadigd van water, verzadigd van de Witte Bizons die hier hun tocht eindigden en hun ziel vrijlieten. De zon drong door de nevel en maakte regenbogen, een waaier van stralende transparante kleuren. Daniël was sprakeloos. Nog nooit had hij zo een schouwspel gezien - kwam het door een toevallig samenvallen van licht en waterdamp? Door de ontzettende kracht waarmee het water op de rotsen beukte en deze nevels maakte? Steeds verscheen een regenboog, lichtte op en verdween dan weer. Tot de volgende Bizon de sprong waagde en in kleuren opging. ‘Odette,’ prevelde hij, ‘ik aanschouw een wonder. Ik wilde dat je naast me zat en het kon zien. Hoe kan ik je dit ooit vertellen? Zoveel schoonheid, zoveel kracht. Gevaarlijk veel kracht. Ik heb iets voor je, een sieraad, voor om je hals.’ Hij sloot zijn hand even om de steen. ‘Hij zal je ook beschermen en wie weet, omdat ik heb besloten dat ik hem aan jou geef, beschermt hij je nu al. Nu al...’ Nu al? Waarom dacht hij dat? Was ze soms in gevaar! Een ongerust gevoel trok samen bij zijn navel. Ze hadden eigenlijk helemaal niet over mogelijke gevaren gesproken, ook niet over gedragsregels, ze hádden juist geen regels maar dat betekende natuurlijk niet dat ze geen oog zouden hebben voor gevaar of risico’s zouden nemen. Stel, ze was alleen op pad gegaan. Ze was een vrijgevochten type, helemaal niet denkbeeldig dat ze dat zou doen. Zou ze zich wel realiseren dat Zuid-Amerika iets anders is dan Europa? Ze zou toch wel op zijn minst een gids meenemen of zich aansluiten bij een groep als ze de Andes in zou willen trekken? God, waren ze niet een een beetje naïef geweest met hun Reglement? Ze hadden op zijn minst dit soort zaken moeten bespreken. Maar dat hadden ze niet gedaan en nu… Hij rook de oceaan, zag het heftig bewegende grote water, hoorde het donderende geraas van de branding. Gewelddadig, gevaarlijk water was het en tegelijk van een oogverblindende schoonheid. Hij probeerde zich te laven aan de atmosfeer. Hij moest gewoon wat meer vertrouwen hebben in wat ze in gang hadden gezet en in haar. En in de steen. Maar het ongeruste gevoel bleef knagen… Hij stond op, zijn benen stijf van de ongemakkelijke houding en optrekkende kou. Maar hij werd onmiddellijk weer teruggesmeten tegen de rots. ‘Gódverdomme!’ Hij schrok. Vertrok zijn gezicht, hij was met zijn heup tegen het gesteente gesmakt. Hij bleef even zitten, de pijn verbijtend, wreef over het bot. Hij keek naar beneden, hij was veel te ver omhoog geklommen zag hij nu pas! Had hij zich nu zo verkeken op de situatie? Hij was toch wel vaker met storm op de rotsen geklommen. In zijn enthousiasme en de wind in de rug was hij zo boven geweest maar nu… ‘Gódver,’ riep hij weer, ‘hoe kom ik weer beneden.’ Voorzichtig kwam hij overeind, maar een paar onzichtbare handen duwden hem ruw weer terug. ‘Nee nee, dat gaat zomaar niet. Je moest zo nodig hierheen, de gevarenzone in. We hebben je paspoort, je kunt nergens heen zonder onze toestemming. Ga maar weer terug. En dan zullen wij eens overwegen wat we met je gaan doen. Misschien lever je nog wat op.’ Hij probeerde het opnieuw. Steun zoekend bij de rots ging hij staan, maar de wind gaf hem een zet. Hij wankelde. Nee, dat ging zo niet. Was de storm dan erger geworden? Het zweet brak hem uit, hij kon niet terug! Het gebulder van de branding begon op zijn zenuwen te werken, de golven kwamen hoger en verder dan daarnet: zeker was de storm heviger geworden. Hij had nooit de rotsen op mogen gaan! Hij dacht koortsachtig na: ik moet hier zo snel mogelijk weg, maar hoe. Staan was niet meer mogelijk, misschien liggend op mijn buik. Hij draaide zich om, liet zich voorzichtig zakken, zijn armen opzij, steun zoekend bij een uitstekel of spleet in het gesteente waar hij tegenaan werd gedrukt. ‘Oké, de wind duwt mij terug als ik ga staan, maar houdt me vast als ik ga liggen.’ Hij steunde, ‘Alles gaat tegenwoordig andersom. Zo moet het lukken.’ Langzaam liet hij zich zakken, meter voor meter, het oppervlak was ruw en ongelijk, puntig soms en priemend door zijn kleren, zijn lijf, hij voelde de spetters van de golven, o god, als ik val… ik val niet! Hij kroop als een slang naar beneden. Ieder stukje van zijn lichaam raakte de rots, de wind duwde hem er tegenaan en belette hem op te staan, maar droeg hem tegelijk naar beneden. Twee bewegingen inéén… Voorzichtig liet hij verder naar beneden zakken en sprong de laatste meter het strand op. Bezweet en hier en daar gekneusd. Zand stoof in zijn ogen, er zat een scheur in zijn jack door de scherpe rotspunten, een vinger bloedde: de schade van een verkeerd inschatten van de elementen. ‘Idioot,’ riep hij. Het kabaal van de wind en de branding overstemde alle andere geluid, ‘idioot,’ schreeuwde hij. Zijn ongerustheid en angst moesten er even uit: ‘Dwaas!’ Had de chakana hem beschermd soms? Een steen tegen een steen? Herkend als verwanten, samen opboksend tegen het geweld dat uit het niets tevoorschijn was gekomen en ook weer in het niets zou verdwijnen. Hij keek omhoog, zag de plek waar hij had gezeten. Was hij gek geweest? Moet je zien! Maar als hij niet naar boven was geklommen, had hij de Witte Bizons niet gezien… De steen was voor Odette. Hij was ongerust geweest over haar, daarna was hij zelf in gevaar geraakt, maar nu kwam het gevoel des te sterker terug. Hij wreef in zijn tranende ogen in een poging het zand eruit te krijgen, wist dat hij dat moest doen door te knipperen maar hij was ongeduldig, onrustig. Hij keek naar de grond, zag slierten fijn zand als schaduwen onder hem doorschieten, het leek wel of hij vloog. Niet het zand schoot onder hem door, hij vloog eroverheen! Met een enorme snelheid, het waren wolken en daaronder lagen de landen. Odette. Hij moest iets doen, iets tegenhouden, iets voorkomen, helpen. Hij leunde voorover tegen de storm, spreidde zijn armen: ‘Ik ben sneller dan de wind, ik vlieg. Ik ben de condor!’ Hij slaakte een kreet: ‘Haaaayahhhh!!’ Hij had zo’n fantasie altijd, zo’n grenzeloze verbeelding en hij kon er zo helemaal in opgaan tegenwoordig. Hij wás gewoon de condor, hij vlóóg ook over de Andes. ‘Odette! Hier is de chakana. Pak hem, hij is voor jou. De steen beschermt je. Pak hem dan!’ Hij strekte zijn hand uit naar de stralend verlichte golven, als wilde hij over de oceaan heen reiken naar het continent waar zij nu was. ‘Hier, Odette! Hiér!’ riep hij, zijn stem nietig in het gebulder van de storm. Maar wie weet nam deze de woorden in zich op, blies hij ze op tot enorme proporties en droeg hij ze verder. De wind komt overal… Hij liet zijn armen zakken, de wolken werden weer zand en hij weer Daniël. Hij sloot even zijn ogen, zag Odette voor zich, haar levendige groene ogen, die vastberaden trek op haar gezicht, haar vitaliteit en het maakte dat er een glimlach over zijn gezicht trok. Hij had de steen aan haar gegeven… Hij zou haar beschermen. Hij liep terug naar zijn auto. Er was werk aan de winkel! Hij moest zijn overtocht in orde maken.
OdetteHet was nog vroeg toen Odette de deur van haar huis achter zich dichttrok. Hij klemde, meestal viel hij pas na drie pogingen in het slot, vandaag waren het er vier. Dat duidde op weersverandering. Ze keek even omhoog, blauwe lucht, geen wolkje te zien. Een warme voorjaarsdag lag in het verschiet. Maar ze zou er weinig van zien, dacht ze, terwijl ze haar tas over haar schouder gooide en het smalle straatje overstak naar het café waar ze geregeld ging ontbijten voor de dag bezit van haar nam met een agenda vol afspraken. Ze groette een paar bekenden, pakte een krant uit het rek naast de deur, haalde koffie en zocht een plekje bij het raam. Ze keek even naar de gevel waarachter haar etage schuilging en wilde dat ze deze week wat meer thuis zou kunnen zijn. Thuiszijn of weggaan, naar buiten… Ik heb het zo hélemaal gehad, dacht ze, terwijl ze ging zitten en haar agenda tevoorschijn haalde. Ze begon er driftig in te bladeren en keek naar de afspraken die er stonden voor die dag, de volgende en vele dagen daarna. Ze zou amper thuis zijn! ‘Ik heb het zo hélemaal gehad,’ dacht ze opnieuw. ‘Stop er dan mee,’ hoorde ze een stem naast zich zeggen. Odette keek geschrokken op, ´Zit ik nou in mezelf te praten?’ zei ze en keek naar degene die haar had aangesproken. ´Geeft niks hoor,´ zei de man die naast haar aan een tafeltje zat en haar geamuseerd gadesloeg. ´Doe ik ook wel eens. Meestal een signaal dat de uren niet meer in een dag passen en de dagen niet meer in een week terwijl ze daar toch zo voorbeeldig op zijn afgestemd. Als alles goed gaat tenminste. Met andere woorden, als de tijd mij links en rechts aan het inhalen is, dan ga ik in mijzelf praten. Onder andere.´ Odette moest lachen. Wie was deze man, dacht ze, ik kan me niet herinneren dat ik hem hier ooit eerder heb gezien. Alsof hij haar gedachten had geraden vervolgde hij, ´Ik ben net gisteren hier in Amsterdam aangekomen. Vanuit Sydney. Over tijd die mij inhaalt gesproken. Ik heb het er eigenlijk alleen nog maar erger op gemaakt door hierheen te reizen terwijl het mijn bedoeling was ermee te stoppen.´´Stoppen waarmee?´ vroeg Odette terwijl ze haar koffie dronk. ´Met het proppen van uren in een dag en dagen in een week alsof ik te veel spullen in een koffer aan het duwen ben. Daar… ben ik mee gestopt.’ Hij zei het plechtig, schoof zijn koffie opzij en leunde voorover naar Odette. ‘En de beste manier om dat uit te voeren leek mij om naar de andere kant van de wereld te reizen. Ik heet Daniël trouwens.´ ´Odette.´ Ze gaven elkaar even een hand. ´En nu ben je niet alleen in een jetlag maar ook nog in een ander seizoen terechtgekomen aan deze kant van de wereld,´ zei Odette, ´ook dat past nu niet meer. Je hebt het er inderdaad alleen maar erger op gemaakt. Ik weet niet of ik jouw advies wel wil opvolgen.´ ´Je hebt helemaal gelijk,´ zei Daniël en zakte weer terug in zijn stoel, ´luister maar niet naar mij. Ik vraag me af wat ik naast de tijd en de seizoenen nog meer door elkaar kan husselen.´ ‘Ik denk dat je het hiermee wel hebt gehad´, antwoordde Odette. ´Ik heb het hélemaal gehad,´ lachte Daniël. ´We beginnen gewoon overnieuw. Nog een koffie?´ ´Graag, kan nog net. Ik moet wel zo naar mijn werk.’ Toen hij terugkwam met de koffie vroeg ze: ‘Hoe komt het dat je zo goed Nederlands spreekt?´ ´Ik heb een Nederlandse moeder. Maar ik ben voor het eerst hier, in het laagste land ter wereld, zeggen ze. Klopt het dat Amsterdam onder de zeespiegel ligt?´ ´Amsterdam ligt gewoon op de begane grond,´ zei Odette, ´maar er zijn inderdaad gebieden die onder de zeespiegel liggen.´ ´Wat eng,´ zei Daniël. ´Welnee, wij weten niet beter. Ik vind het juist wel fascinerend dat je je eigen land kunt creëren door een zee leeg te laten lopen alsof je de stop uit het bad trekt. Geniaal.´ Terwijl ze hun koffie dronken keek Odette naar deze uit het niets opgedoken man die haar zo spontaan was bijgevallen. Hij leek een paar jaar ouder dan zijzelf, midden veertig schatte ze. Hier en daar wat grijs in donker dik haar. Blauwe diepliggende ogen onder donkere wenkbrauwen en een beetje hoekig gezicht. Ze zag de schaduw van een baard over zijn wangen en kin van het soort die er altijd was. Ook als hij zich net geschoren zou hebben zou er toch die schaduw zijn.Ze leunde met haar hoofd op haar hand en staarde naar de muur achter Daniël. Ze was inmiddels al te laat voor haar eerste afspraak maar ze wilde het gesprek niet afbreken. Zomaar stoppen? Kan dat? Stoppen waarmee eigenlijk? ‘Dus jij bent zomaar in een vliegtuig gestapt naar het andere eind van de wereld.´´Daar komt het wel op neer ja,´ antwoordde Daniël.‘Hoe kom je daarbij, om zoiets te doen?’´Het kwam door de, eh, door de advertentie.’‘Advertentie?’‘Ja… advertentie. Lang verhaal en jij moet zo naar je werk.´‘Momentje,’ zei ze en pakte haar mobiel uit haar tas. Ze toetste een nummer in en wachtte, haar mond in een vastberaden trek. ´Met Odette. Het spijt me enorm maar ik moet de afspraak van kwart over negen met Theo uitstellen. Ik ben om ongeveer elf uur op kantoor. Tot straks.’ ‘Er is nu nog niemand, ik hoop nu maar dat ze meteen het antwoordapparaat afluisteren,´ zei Odette terwijl ze haar mobiel terugdeed in haar tas. Ze keek Daniël aan en zei, ´Vertel op. Over die advertentie.´
Over het boek Hoofdstuk het begin Hoofdstuk Odette Hoofdstuk Daniel Hoofdstuk De Chakana Hoofdstuk Het Labyrint Hoofdstuk De Witte Bizons ContactBlogOver Iris HaeckUw reactieBestellen
p { margin-bottom: 0.21cm; }Gegroet! Welkom op de site van de Dageraadvanger Ik wil graag iets vertellen over het boek De Dageraadvanger is een eigentijdse roman, het verhaal zoekt aansluiting bij het veranderende bewustzijn van de mensheid wat zich op diverse terreinen aan het manifesteren is. Je zou het een spirituele roman kunnen noemen ware het niet dat het begrip spiritualiteit aan kwaliteit heeft ingeboet, zoveel als het herbergt en zoveel als het wordt gebruikt om ‘nieuwetijds’ verschijnselen in onder te brengen. Het dekt intussen teveel lading en maakt nauwelijks nog onderscheid tussen kaf en koren. Wij leven in een tijd waarin esoterische kennis beschikbaar is voor iedereen, kennis die aan het begin van de vorige eeuw nog was voorbehouden aan een kleine groep van geïnteresseerden of aan een elite. Wat ooit een geheime leer was staat op internet, iedereen kan erbij, alles is beschikbaar. Oude en nieuwe methoden tot verlichting worden aangeboden in talloze cursussen en workshops en ze doen goede zaken want de mens is op zoek. De mens is altijd op zoek geweest, niets nieuws onder de zon, maar de mogelijkheden waren nooit zo groot als in onze moderne westerse wereld. En nooit was er zoveel vrijheid om buiten de gevestigde orde te denken, te schrijven en te debatteren over het wonderbaarlijke. De kerken hebben hun macht over het geestelijke leven in de vorige eeuw al ingeleverd, spirituele bewegingen namen hun plaats in maar meer dan ooit gaat de mens thans zelf op zoek, los van enige beweging, voorganger of goeroe. Is de Dageraadvanger een spiritueel boek in deze zin? Nee. Het neemt geen standpunt in, het wil niets prediken, het wil niets uitleggen of onderwijzen. Het wil vooral niet zweven. Integendeel, het wil de spirituele beginselen juist verbinden met de dagelijkse werkelijkheid. Het wil aantonen dat het bovenzinnelijke en wonderbaarlijke tot de natuurlijke menselijke ervaring behoren waar iedereen toegang toe kan krijgen. Het wonderbaarlijke gebeurt niet achter schermen en in geheime genootschappen, het gebeurt in het dagelijks leven, ieder moment dat men er beschikbaar voor is en wil zijn. Daarom is het een eigentijdse roman. Is de Dageraadvanger een spiritueel boek in deze zin? Ja. Indien men bereid is ideeën en opvattingen op te geven en de wereld met een andere blik te beschouwen, kan deze wereld veranderen. Indien men, zoals dat tegenwoordig heet, de ‘comfortzone’ wil verlaten om te reiken naar wat nog niet of nauwelijks in kaart is gebracht, kan men zijn omstandigheden beïnvloeden. Dat is wat de twee hoofdpersonen doen, naar binnen reiken, wat zich manifesteert in uiterlijke belevenissen, moeilijkheden en uiteindelijk hun bevrijding. In een tijd van grote veranderingen en onzekerheid over de toekomst, en weer, niets nieuws onder de zon, is er eigenlijk maar één ding waar de mens zeker van kan zijn en dat is: zich-zelf. Hoe mooi zou het zijn als mensen zich-zelf zouden vinden en daarmee het vertrouwen in het leven, de bewegingen van het leven en als gevolg daarvan: vertrouwen in de toekomst. Deze overwegingen speelden aanvankelijk geen expliciete rol tijdens het schrijven, het was niet het uitgangspunt om zulke gedachten te communiceren met een publiek, maar toen gaandeweg het verhaal zich begon af te tekenen, de personages een voor een verschenen en de samenhang duidelijk werd, voelde ik de wens sterker worden er een roman van te maken, geschikt en bestemd om uit te geven. Het verhaal ontsteeg de oorspronkelijke opzet een kader te scheppen op persoonlijk nivo voor bovenzinnelijke ervaringen en gedachten over het leven, ontmoetingen met mensen die mijn visie op het leven drastisch veranderden en voor belevenissen op mijn reizen naar plaatsen waar een spirituele betekenis aan wordt toegeschreven. De hoofdpersonen die ik daarvoor in het leven riep bleken uitstekend een eigen leven te kunnen leiden, zij maakten zich los van mijn eigen ervaringen en gingen hun eigen authentieke verhaal vertellen. Een verhaal over het wonderbaarlijke, over moed, over vrijheid en over liefde. Iris Haeck Amsterdam / januari 2011
Iris Haeck studeerde sociologie aan de Erasmus Universiteit, is moeder van drie kinderen en heeft voor diverse organisaties op het gebied van de kunsten gewerkt, met name de kamermuziek. Thans is zij programmeur kamermuziek voor diverse theaters. Zij heeft altijd grote interesse gehad voor de filosofische en spirituele achtergronden van het leven en heeft daar, uitsluitend voor eigen genoegen en gebruik, veel over geschreven. In 2004 ontstond het idee voor De Dageraadvanger, een roman, waarmee het schrijven de persoonlijke ervaringen ontsteeg en waar een aantal reizen naar spirituele plaatsen in Europa, Noord- en Zuid-Amerika een bron van inspiratie voor bleken te zijn. ‘De Dageraadvanger’ is het verhaal over twee mensen, Odette en Daniël, die elkaar bij toeval ontmoeten in een Amsterdams café. Ze zijn allebei min of meer stukgelopen op het succes van hun maatschappelijke carrière en herkennen in elkaar de onmacht om weer greep te krijgen op het eigen leven. Ze besluiten het over een andere boeg te gooien en voor een paar weken de zaken om te draaien. Zij geven zichzelf alle tijd, gooien regels en gewoonten overboord en spreken af een reis te maken, ieder voor zich, waarin het toeval en de synchroniciteit hun koers zullen bepalen.Een reis die, naarmate deze vordert, steeds meer het karakter van een innerlijke zoektocht gaat aannemen. Ze komen in een niet-rationele wereld terecht en krijgen hulp uit onverwachte hoek, in de tekst zijn dat ‘de Cursieven’, een non-fysieke wereld die zich met die van hen verbindt. Maar er zijn ook tegenstanders. Naarmate ieder steeds meer de eigen vrijheid ontdekt wordt de tegenwerking grimmiger en donkerder.Hun speels opgezette reis wordt geleidelijk een diepgaande innerlijke scholing en hun onderlinge verbondenheid krijgt het karakter van een opdracht, die zij ieder voor zich geleidelijk ontdekken. Door het verhaal heen speelt een oude vertelling, Het Zegel van de Keizer, dat aan Odette wordt verteld halverwege haar reis en wat grote gelijkenis blijkt te hebben met hun eigen avonturen. Dit verhaal komt ook bij Daniël boven water, ofschoon nog verborgen. Maar de lezer kent het inmiddels wel… De tekst van de vertelling ‘Het Zegel van de Keizer’ is als appendix opgenomen.
Over het boekHoofdstuk ContactBlogOver Iris HaeckUw reactieBestellen
Het BeginOdetteDanielDe ChakanaHet LabyrintDe Witte Bizons
Webwinkel - Te Koop | Compleet ontwerp webwinkel
Categories:
Webwinkel - Te Koop | Compleet ontwerp webwinkel
Vertel het een vriend
Copyright STUDIO182
Uw Winkelwagen
Nieuws
Nieuwsberichten
Hier kunt u nieuwsberichten plaatsen